Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opzicht aan duidelijkheid niets te wenschen laat. Maar er zijn eenige bladzijden noodig om dit aan te toonen.

De Israëlieten trokken de Roode Zee door, öf dicht bij haar tegenwoordige noordpunt, ten Z. van Suez, of waarschijnlijker nog iets verder noordwaarts, — want de zee schijnt destijds nog een deel der tegenwoordige landengte overdekt te hebben 9). De eerste vraag is nu: Gaan zij van hier oostnoordoostwaarts naar den Sinai van Gratz en Winckler, of oostwaarts naar dien van Wellhausen en Hommel, of zuidwaarts - min of meer ZO. — naar den Sinai der overlevering?

Wie den Bijbel leest zooals hij thans {Ex. 15, Num. 33) voor ons ligt, kan geen oogenblik twijfelen. Opgravingen en oude opschriften zijn hier niet noodig. Het land zelf spreekt boekdoelen.

Ik moet bekennen, dat ik hier op een gebied kom, dat bijzondere aantrekkelijkheid voor mij heeft, — hoofdzakelijk wel omdat ik, nu 14 jaar geleden, het zeldzame voorrecht genoot, den weg die hier beschreven wordt tot op den kruin van den Sinai te volgen.

„Moses nu — lezen we Ex. 15, 22 — leidde Israël van de Roode Zee weg, en zij kwamen in de woestijn van Sur (Sjoer)." Dat hier de vlakte ten O. van Suez bedoeld is, ligt voor de hand. Het hebreeuwsche woord sjoer beteekent een muur 10). Aan de oostelijken zoom der vlakte stond toen en staat nog een hoogst eigenaardige muur: het gebergte Djebel er-Raha, een keten, steil, effen, hoog, maar genoegzaam overal even hoog, en van het noorden naar het zuiden dagreizen lang. Als ergens een bergketen op aarde den naam van muur verdient, is het deze. „Met zijn grijsgrauwe tint, zijn horizontalen vorm van onbepaalde lengte, rijst hij als een onmeetbare muur op den achtergrond van het tafereel." Aldus mijn toenmalige reisgezel, pater M. Jullien, S. J. in zijn Sinaï et Syrië, (Lille, 1893) bl. 57.

„En zij gingen drie dagen door de woestijn en vonden geen

Sluiten