Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bond gesloten. De woorden: „Ik, Jahwe, ben uw God,'' zeggen alleen, dat Jahwe de schutsgod is van dien stammenbond. Het verbod, zijnen Naam te misbruiken, „scherpt eerbied in voor den beschermgod." De overige „woorden" gelden alleen tegenover de leden der verbonden stammen: Gij zult niet stelen van iemand die tot het bondgenootschap behoort. Op dezelfde wijze wordt hot dooden, valsch getuigen, echtbreken en „begeeren" na het sluiten van den bond iets wat binnen het bondgenootschap ongeoorloofd is.49)

Tegenover vreemden, die buiten den bond stonden, waren doodslag, overspel, diefstal en valsch getuigenis dus geoorloofd.

Aan het betoog, dat we hier geen uit- maar inleggen vóór ons hebben, behoeft geen woord verspild.

Doch ook met die willekeurige beperking zou het verbod der zondige begeerte nog op te hoog zedelijk standpunt wijzen. „Begeeren" beteekent hier volgens Eerdmans: „iets wat onbeheerd is tot zich nemen." In het zevende gebod werd dus het wegnemen van beheerd of bezeten goed, in het tiende gebod het wegnemen of zich toeëigenen van onbeheerd of onbezeten eigendom verboden.

Bestaat er eenige grond voor die zonderlinge bewering? Ziehier. In Deut. 5, 18 staat het woord hithawwah, d. i. begeeren. Eerdmans zelf spreekt dit niet tegen. In het vorige vers en eveneens in Ex. 20, 17 staat het woord chamad. Keeds het parallelisme toont, dat dit woord dezelfde beteekenis heeft. Het heeft trouwens dienzelfden zin nog op vijftien andere plaatsen, en volgens alle oude en nieuwe taalkenners, behalve Eerdmans, op al de plaatsen waar het voorkomt. Hij alleen wil echter drie plaatsen ontdekt hebben, waar het die andere beteekenis zou hebben: iets wat onbeheerd is wegnemen, nl. Ex. 34, 24; Ps. 68, 17 en Spr. 12, 12. Hij laat het echter ook hier bij beweren, en beproeft geen bewijs. Het bewijs is ook feitelijk voor niet ééne van de drie plaatsen te leveren: het denkbeeld begeeren geeft overal een goeden zin, en wordt door de oude vertalingen gestaafd. De bewering van Eerdmans steunt feitelijk op niets, en is dan ook met geheel zijne „verklaring" van

Sluiten