Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat een koudheid des harten bij het vernemen van zoo blijde boodschap, van zulk een liefelijk Evangelie! Wat bewijst dit? O, het bewijst, dat men geen deel heeft aan de belofte van Gods vreêverbond. Want hij, die deelt in deze goedertierenheid Gods, kan niet anders dan blijde zijn, waar hij zoo troostrijke beloftenis verneemt.

Als ik geen kind des huizes ben en ik hoor den vader zeggen: „Ik zal niet op u toornen", dan laat dit zeggen mij onverschillig, het raakt toch mij niet. Maar ben ik kind, en wel kind dat kastijding, straf verdiend heeft, dan zal het mij zeker blij maken, als ik hoor, dat mij mijn kwaad vergeven is en ik 's vaders vriendelijk aangezicht aanschouwen mag. Of is dat niet het geval, dan zeker, ofschoon kind des huizes, ben ik zoo in het kwade verhard, dat mij de liefde mijns vaders onverschillig is geworden; maar dan ben ik ook gelijk, heb zelf mij gelijk gemaakt aan een', die buiten 's vaders huis behoort, aan een vreemde.

Wie zich dan in waarheid in dit Evangelie verblijdt, wiens hart er warm door wordt, deze is als zulk een kind des huizes, voor wien het niet onverschillig is of vader, op hem toornt of niet; hem is aan 's vaders liefde alles gelegen; heeft het kwaad gedaan, 't is over zijne verkeerdheid bedroefd, omdat het tegen zijn goedertieren' vader misdaan heeft, het wil de straf wel dragen, als er maar vergiffenis voor hem is. Is deze er, en geen toorn maar liefde, wordt het vriendelijk oog van vader gezien, — o, dan wordt het kind blij en vroolijk, het verheugt zich in de goedheid des vaders.

M. H.! Verstaat gij nu, wie deel heeft aan des Heeren belofte: Ik zal niet op u toornen, noch u schelden; Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken; Mijn vreêverbond zal voor u bestendig blijven; Ik ontferm Mij over u met eeuwige ontferming'? Deze mensch is hel, die het erkent, met verbroken hart, met smart

Sluiten