Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de innerlijke gedachten der menschen niet mag straffen, hij toch niet mag toestaan de professie eener religie, die goddeloos is en verderfelijk voor het Gemeenebest. Nu is het ongetwijfeld waar, dat ook met betrekking tot de eerste tafel der Wet de overheid een taak heeft te vervullen, maar de grenzen dier taak zijn met betrekking tot de persoonlijke conscientie door het Staatsbelang bepaald. Zij behoeft niet verder te gaan dan het Staatsbelang eischt. In deze beperking is eene concessie gegeven aan het proces der differentiatie. En uit dat oogpunt moet dan ook de houding verklaard worden, die onze oude overheid heeft aangenomen tegen het Roomsch Catholicisme en andere vormen van religie, waarmede de vaderen te kampen hadden. Zij zagen in de grootst mogelijke religieuse eenheid der burgers een belang van den Staat en dus ook in de kleinst mogelijke toelating der differentiatie. Wel beleden zij, dat ook de Staat de roeping had God te verheerlijken, maar in de onmacht, waarin deze stond tegenover de conscientie, was dan aangewezen, dat het optreden tegen hetgeen met het conscientieleven samenhing zijn beperking vond in het Staatsbelang. Dat zij hiermede rekening hielden, streed niet tegen Gods eer, want de roeping van den Staat kon niet uitgaan boven hetgeen God in de handen der menschen gesteld heeft. En daartoe behoort niet het kennen der harten.

Dat proces van differentiatie heeft zich voortgezet in den loop der historie. De gansche ontwikkeling der cultuur deed daarin haren invloed gelden en in de cultuurontwikkeling vooral de philosophie. En ten laatste is dit proces den gekerstenden Staat over het hoofd gegroeid, zoodat ontkerstening van de Staatsidee volgen

Sluiten