Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wilde, omdat zij nu eenmaal niet door Hem daartoe verkoren waren, óf: dat God hen wel had willen redden, maar dat niet kon, omdat zij niet in Zijne verlossing wilden gelooven. Het laatste aan te nemen echter is in strijd met de leer van Gods almacht, en schrijft aan den mensch de macht toe Gods plannen met hem te verijdelen.

Moet alzoo, bij aanvaarding der eerst genoemde, algemeen „orthodoxe" dogma's, ook het speciaal „Gereformeerde" dogma der persoonlijke uitverkiezing worden vastgehouden, men kan dit niet doen dan met mede-aanvaarding van het dogma der verwerping, of de leer der bestemming ten verderve van alle niet-uitverkorenen. Wel zoekt men daaraan te ontkomen, door te zeggen, dat God de niet-uitverkorenen „laat in hun val en verderf, daar zij zichzelven in geworpen hebben" (Belijdenis Art. XVI), maar dit is slechts een schijnbaar vermijden van de leer der verwerping. Indien God geacht moet worden de macht te hebben ook de nietuitverkorenen te redden uit het verderf, en Hij laat dit na, laat hen in hun verderf, zonder iets te doen om hen te verlossen, dan moet dit „nalaten" met een „doen" gelijk gesteld worden. Nalaten te redden, waar men in staat is tot redden is schuldig worden aan het verderf van hem, dien men niet wilde redden, toen men kon. En indien God, de macht hebbende alle menschen te behouden, slechts een deel behoudt en de rest in hun ellende laat, dan kan dat alleen worden verklaard door aan te nemen, dat Hij hen niet wil verlossen, m. a. w. door aan te nemen de leer der Reprobatie of verwerping, der bestemming ten verderve van het grootste gedeelte der menschen door God.

Men wil aan deze reprobatieleer het denkbeeld, als ware God de oorzaak der zonde en der ellende, ontnemen door

Sluiten