Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefelijk is en wel luidt"; hij kan, als hij het ernstig wil, zijn zelfzucht onderdrukken en zich toeleggen op liefde en zelfverloochening; zijn hoogmoed afleggen en zich oefenen in nederigheid; de leugen vlieden en de waarheid betrachten; eerlijk, hulpvaardig, kuisch en rechtschapen zijn. En te recht wordt berouw en boete geëischt van hem, die aan zijne booze lusten toegaf; te recht wordt van „schuld" gesproken en „straf" verwacht, waar de mensch, in plaats van zijn beter ik aan te kweeken en het dier in zich te onderdrukken, blindelings en brooddronken zich aan den dienst der zonde overgeeft. Wie zal zeggen bij hoevelen dit laatste het geval is, als een gevolg van de onware en onzedelijke onmachtsleer?

O, natuurlijk, „onze bekwaamheid is uit God"; „een mensch kan niets doen, tenzij het hem van boven gegeven wordt". Zeker, „het is God, die in ons werkt beide het willen en het werken . Maar aan wien werkt God niet ? Wien weigert Hij den invloed Zijns Geestes? In welk hart spreekt Hij niet, door het geweten ? Die waarlijk ernstig wil, ontvangt ook tot handelen de noodige kracht; behoeft niet te wachten op eene mogelijke buitengewone daad Gods; heeft slechts gebruik te maken van de voor hem gereede en ir» hem werkende kracht. Zooals de dooden, tot wien Christus zeide: „Sta op!" ook konden verrijzen, zoo ook kan de mensch doen, wat de ernstige prediking van bekeering van hem vraagt. Als het „Woord Gods" bij monde van den prediker tot de menschen komt: „Wascht u, reinigt u; doet de boosheid uwer handelingen weg! Leert goed te doen; leert af kwaad te doen!' (Jez. i : 16, 17) dan kunnen zij ook doen wat geëischt wordt, omdat de kracht daartoe gereed is voor ieder, die er gebruik van wil maken, zooals de dampkring gereed is om ingeademd te worden.

Sluiten