Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alle kennisse Gods is vrucht van Gods openbaring aan ons. Indien God zich niet had geopenbaard, zou er alleen van kennis Gods in God zelf sprake kunnen zijn.

Deze openbaring Gods heeft als grondslag de zelfkennis GodsDat wil zeggen : God kent zichzelf, en daarom kan Hij zich openbaren; en kan Hij zich openbaren in waarheid. Ware dit niet zoo, kende God zichzelf niet, dan zou vanzelf deze openbaring in elk geval niet boven allen twijfel vei heven zijn. De Schrift leert deze zelfkennis Gods; b.v. in plaatsen als

1 Cor. 2 : 10. . TT

Toch heeft God niet alles van zich geopenbaard wat m Hem is. Dat zou natuurlijk niet kunnen ; vooreerst niet, omdat God als de Oneindige nooit kan gezegd worden zich geheel en al te hebben „uit" geopenbaard; en ten tweede, zouden wij eindige menschen, met beperkt, eindig verstand, dit toch niet in ons kunnen opnemen. God is daarom in Zijn openbaring zoo wonderlijk goed geweest, zich op verstaanbare wijze aan ons te openbaren. De mensch en de openbaring zijn op elkaar aangelegd. De mensch ontving de profetische gave van God te kunnen beluisteren in Zijn openbaring; dit te kunnen indenken, en uit te spreken. En anderzijds is alle openbaring Gods n.1. waar God zich voor den mensch verstaanbaar maakt, feitelijk een menschwording. Be menschwording Gods in de volheid Zijner openbaring is de vleeschwording des Woords.

Toch Kan die openbaring worden onderscheiden; en wel in twee soorten: algemeene en bijzondere.

Ook wel genoemd een openbaring in de natuur en in de

Schriftuur. . , , .

Deze algemeene openbaring is begonnen in de schepping, en wordt voortgezet in de onderhouding en regeering aller dingen. Zoo openbaart God zich in de natuur rondom ons; in de geschiedenis van volken en personen ; in het hart en geweten

van ieder mensch»

Hoe groot dit goed reeds is, toch is thans deze algemeene

openbaring onvoldoende.

Immers ze leert ons Christus niet kennen. De natuui enz. weet niet van genade. Zij maakt er ons niet mede bekend. Wanneer we, duidelijk gezegd, geen Bijbel hadden, dan wisten we niet, hoe we zalig moesten worden.

Hoogstens kan de algemeene openbaring ons het gevoel van onverantwoordelijkheid ontnemen en dit is dan ook haar beteekenis. Zie Rom. 1 : 19. 20'; Rom. 2 : 14, 16.

Gods wonderlijke goedheid heeft ons daarom als uitvloeisel van Zyne genade daarby nog eene bijzondere openbaiing ge-

Sluiten