Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heere, uwen God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven. Wacht u, dat gij den Heere, uwen God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijne geboden, en Zijne rechten, en Zijne inzettingen, die ik u heden gebiede; opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen, en uwe runderen en uwe schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja al, wat gij hebt, vermeerderd zal zijn, uw hart zich alsdan verheffe, dat gij vergeet den Heere, uwen God, Die u uit Egypteland, uit den diensthuize, uitgevoerd heeft; Die u geleid heeft in die groote en vreeselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht; Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uwe vaderen niet gekend hadden, om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste wel deed".

Waartoe moest dus de herinnering aan deze veertig jaren in de woestijn den kinderen Israëls in de dagen van Mozes en den Joden, tot welke Stephanus sprak, dienen? En waartoe moet ons deze herinnering dieneu? Zij dient tot verheerlijking van den Naam Gods, — want deze gansche geschiedenis is één getuigenis van Gods gerechtigheid en waarheid, van Zijne genade en barmhartigheid en trouw tegenover de zonde, de ondankbaarheid, den opstand, het ongeloof en de ontrouw van het volk Israël. — En, mijne Geliefden, de zonde van dit volk, is zij niet ook onze zonde? Gelijk de Heere de kinderen Israëls geleid heeft, zoo leidt de Heere ook heden nog Zijn volk, — Hij leidt het door de woestijn, — weliswaar niet in letterlijken zin, maar zóó, dat Hij hun dit leven hier beneden tot eene woestijn maakt — zoowel in lichamelijk als in

Sluiten