Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest trekken, de hierarchie haar jurisdictie moest loslaten. Maar dit veranderde niet aan den rechtstoestand der stichtingen. Deze bleven eigenaars. Alleen nu onder toezicht en jurisdictie der wereldlijke, der Gereformeerde Overheid. En deze zocht voor alles, zoowel grootendeels te conserveeren als te reformeeren. De parochies, conventen, kapittels, particulieren of wie ook eigenaars geweest waren van kerkgebouwen, bleven dit. Ze hadden nu echter op Gereformeerde wijze hun rechten en plichten uit te voeren. De Overheid ontsloot de kerkdeuren, ook al zou het gebouw aan een Roomschen eigenaar behooren, voor de uitoefening der Geref. religie. De Overheid achtte, na terzijstelling van de Roomsche tegenstelling wereldlijk-geestelijk, als Christelijke (d. i. gereformeerde) Overheid het haar taak, de Christelijke, dat was naar haar oordeel, — en dat beoordeelde zij zelfstandig — de Gereformeerde religie, te doen prediken en dies verbood zij de openbare excercitie van alle andere religies. Naar ditzelfde beginsel kende zij slechts één ware leer, de Gereformeerde; slechts één ware Kerk, de Gereformeerde Kerk, die zij dan ook tot de publieke Kerk verhief. En zooals zij nu deed met de kerkgebouwen en hun eigenaars, zoo deed zij ook met de verschillende stichtingen. Zeer velen bleven bestaan. Maar nu niet meer onder Roomsche jurisdictie, bezet door Roomsche personen, en werkende voor Roomsche doeleinden, maar nu onder jurisdictie der Gereformeerde Overheid, bezet met Geref. personen, bestemd voor Geref. doeleinden. Zij conserveerde en reformeerde. De bestemmingen dezer stichtingen en van hare goederen zouden voortaan zijn ad pios usus. En wat pii usus waren bepaalde weer de Christelijke (d. i. de Gereformeerde) Overheid in deze hare qualiteit. De pastorieën bleven bestaan, maar nu gereserveerd voor Gereformeerde predikanten. De vicarieën bleven eveneens voor een groot deel bestaan, maar werden nu niet meer bezet door Roomsche priesters en dienden niet meer voor 't lezen van zielsmissen voor afgestorvenen, maar verplichtten, ook al werden zij evenals vroeger door collators of rechthebbenden vergeven, nu tot studie in de Theologie of tot prediking van 't Woord, m.a.w. zij werden studiebeurzen of dienden tot subsidiëering van predikantstractementen, of ook dienden ze tot betalen van classicale en synodale kosten, tot ondersteuning van predikants-weduwen en weezen enz.

Veelszins was de verplichting van corporatiën of instellingen

Sluiten