Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en genaast hadden, dat dus deze desivege tot uitbetaling der predikantstractementen geheel of gedeeltelijk verplicht waren. ') Het centraal gezag nam echter naar den geest des tijds bijna overal zonder bedenken de verplichtingen over en betaalde nagenoeg alle tractementen der Geref. predikanten in Kerken, waar geen voldoende pastoriegoed meer was, uit. Al werd ook aan de andere Gezindheden eenige subsidie gegeven, kennelijk was dit nog maar een begin, de Geref. predikanten ontvingen alles als voorheen. En deze tractementen kwamen grootendeels rechtstreeks uit de Staatskas. De geestelijke goederen in 1798 nationaal verklaard en nu Staatseigendom geworden, waren toch niet zoo vele. Alles bij elkander beliep het bedrag der obligatiën f 5.545.959 aan kapitaal met f 147.414 aan renten (v. Beuningen p. 302 e. v.) 't Is duidelijk, dat reeds toen dit bedrag niet voldoende was om met de rente de tractementen enz. der Geref. predikanten te betalen, daar deze tractementen op de begrooting van 1809 met meer dan f 800.000 plus nog de andere kerkelijke onkosten (voor alle kerken saam was dit f 122.000, dus stellig voor de Gereformeerden ongeveer f 75.000) voorkwamen. En daarbij kwamen dan nog de tractementen voor de dienaren der andere Kerken. De geheele kerkedienst stond op die begrooting voor ± f 1.100.000. Vergelijkt men deze som met de ± f 150.000 rente, dan ziet men dat reeds toen jaarlijks f 950.000 of bijna een millioen gulden rechtstreeks uit de Staatskas bijgepast moest worden.

Koning Lodewijk heeft echter noch zijn verdeelingsplan van de kerkgebouwen, noch de naasting der pastoriegoederen kunnen volvoeren. De politieke verwikkelingen en de elkander snel opvolgende regeeringen lieten de zaken meerendeels in statu quo. Bij de inlijving van 't Koninkrijk Holland bij Frankrijk verdween het kapitaal, en werd een tijdlang de uitbetaling der tractementen uit 's lands kas gestaakt. De Kerken, die gewend waren uit deze ruif het voedsel te ontvangen, zagen 't aan, dat hare predikanten armoede, soms broodsgebrek, leden. Napoleon naastte ook nog de goederen van eenige orden en fundaties, welke zich hadden weten

1) In enkele steden en dorpen, waar dit geval zich voordeed, ging metterdaad de burgerlijke gemeente met de uitbetaling voort. Echter niet in alle. Wij komen hier later op terug.

Sluiten