Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staande te houden (zoo o. a. de rijke goederen der Vijf Kapittelen te Utrecht). Onder Fransch bewind doken ook de plannen weêr op, om de Kerken van Staatswege te organiseeren, alle pastorieën te naasten en de kerkedienaars uit Staatskas te betalen. Maar de tegenspoed van Napoleon verhinderde deze plannen. Napoleon viel en Willem I kwam.

Willem I ging terug tot den toestand onder koning Lodewijk. Trouwens in 't geiieel van zijn regeering scheen Willem I in Lodewijks koningschap zijn voorbeeld te zoeken en beiden hadden in keizer Napoleons autocratie hun ideaal. Zoowel het gouvernement van Willem I, als dat van koning Lodewijk was veelszins een Napoleontische regeering au petit pied. Beiden achtten zich gerechtigd met een alomvattend gezag in te grijpen overal waar, zoo dikwijls als, en voor zoover als het hun behaagde. Koning Lodewijk voerde zijn Napoleontisme ten opzichte van de Kerk meer op Roomschen, koning Willem I meer op Gereformeerden of beter gezegd op algemeen Protestantschen grondslag uit. Overigens was er, zelfs bij splinternieuwe grondwetten, weinig verschil. Bij besluit van den Souvereinen Vorst van 19 Januari 1814 werd dan ook overwogen, dat 't zoowel in 't belang van den Staat als van den godsdienst was, dat geregeld de predikantstractementen uitbetaald werden en bepaald, dat deze tractementen, zooals zij op den 31en December 1810 uit 's lands kas betaald werden, met de kinder-, school- en academiegelden weer uit 's lands kas zouden voldaan worden. Dit besluit grondde zich op de overweging, dat de vernietiging van de fondsen der Geestelijke kantoren en de afschaffing der „voormaals genoten rantsoen-penningen" (d. i belastingen) te meer betaling uit andere fondsen gebood. Indien deze overweging van den souvereinen Vorst mede onder liet hoofd „belang van den Staat" begrepen is, indien zij niet anders is dan een omschrijving van dit belang, m. a. w. dat, aangezien het in het belang van den Staat geacht werd subsidie aan de Kerken te geven en deze subsidie om dat belang, na de opheffing der inkomsten uit de Geestelijke kantoren, nu te meer noodig geacht werd, is daar niets tegen te zeggen, maar wel, indien met dezen considerans een rechtsgrond voor deze subsidie moest aangewezen worden, en dies als van een plicht van den Staat jegens de Kerken sprake was. Dan is zij in flagranten strijd èn met het karakter der Overheid na 1798, èn met

Sluiten