Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan door vele en lange aanhalingen wordt dit de facto door de geschiedenis der Afscheiding bewezen. Toen in 1834 de kerkeraad van Doeveren c.a. onder Ds. Scholte met de gemeente het kerkverband verbrak en zij den koning verzochten in het bezit van hun kerkelijk goed gehandhaafd te blijven, werd hun bij ministerieele beschikking geantwoord: le. dat zij scheurmakers waren en 2e. werd in dat schrijven de nog niet gehoerde leer verkondigd, dat de goederen behoorden aan het kerk genootschap, en dat deswege de koning, zich in dat geschil bevoegd achtende recht te mogen spreken, hun alle aanspraak op het kerkelijk goed ontzeide. En als later de Kerk van Ulrum eveneens een verklaring inzond, dat zij zich vau de organisatie afscheidde, en ook zij den koning verzocht in het „vredig" bezit van haar goed gehandhaafd te worden, zoo gelastte de minister op advies der Synode, dat het Prov. College van Toezicht te Groningen de administratie van kerk- en pastoriegoederen te Ulrum zou overnemen. Ds. De Cock werd uit zijn pastorie, de gemeente uit haar gebouw, de Kerk uit haar goederen gezet. En als straks de Afgescheidenen, om erkenning en vrijheid van godsdienstoefening vroegen, zoo werden zij niet erkend, dan na aan de Regeering op haar vraag — een vraag waartoe deze alle recht miste — verklaard te hebben, dat zij zich niet alleen van de organisatie, maar ook van de Kerk afscheidden, en beloofd hadden nooit eenige aanspraak te zullen maken op toelage uit 's Rijles schatkist. Kerk en organisatie werden dus vereenzelvigd. In geheel dezen strijd was het geen rechtspraak, maar de macht van de Overheid welke besliste. En hier kwam nu de oneerlijkheid van de verhouding in al haar naaktheid openbaar. Een neutrale Overheid koos partij; en wilde slechts haar kerkorganisatie erkennen; koos partij tegen de Gereformeerden, aan wie de goederen krachtens haar belijdenis toebehoorden. Deze werden van hun kerkelijke goederen en van de rijkssubsidie beroofd, en daarenboven nog met het brandmerk van scheurmakers voorzien aan de veroordeeling, den liaat en den smaad der natie prijs gegeven. En zóo deed de Overheid nu ook in de volgende jaren. Trots al de adressen (eenmaal (1843) van 474 predikanten tegelijk), bleef ze partij kiezen voor haar organisatie, bleef ze deze handhaven, hem die er mee brak van zijn kerkelijk recht en goed beroovende. Toen zij allengs de moeilijkheden, waarin zij zich met haar aanmatigingen gewikkeld had, begon te ge-

Sluiten