Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

minder nog de „Synode", die geenszins de vertegenwoordiging der Kerk kon geacht worden te zijn, maar oordeelde dat de goederen het eigendom waren der ■plaatselijke Kerlcen of gemeenten: en dat dies, bij het zich terugtrekken der Regeering, het toezicht en de regeling van het beheer terug vielen op de plaatselijke Kerken. Men zou zeggen, nu kwam het beheer dus bij den kerkeraad. Toch vergete men niet, dat de kerkeraad door de organisatie van 1816 feitelijk aanmerkelijk van positie veranderd was, dat hij zoolang hij in de organisatie stond, daar niet stond als vertegenwoordiger van de gemeente, maar als bestuurs-college, als de laagste sport van den ladder die bij de Synode begon. Hij was een schakel in 't bestuur en ontleende aan de Synode zijn bevoegdheid en gezag. • Niet geheel ten onrechte was het dus als de Algemeene Commissie voor de plaatselijke Kerken afzonderlijke colleges door de gemeenten (hetzij rechtstreeks of door trappen) liet verkiezen, n.1. de kerkvoogdijen, en dezen het beheer toekende. Ook liet men het nu, en terecht, aan deze kerkvoogdijen over, of zij voor controle zich vrijwillig wilden stellen onder een nieuw Algemeen College van Toezicht uit de kerkvoogdijen voortkomende, dan wel, of men met „Vrij Beheer' zelf de administratie van en de verantwoordelijkheid voor het beheer op zich wilde nemen. Aanvankelijk stelde de Overheid nog elf reserves, doch in 1870 werd de laatste ingetrokken, zoodat bovengemelde regeling toen volkomen haar beslag verkreeg. Men begrijpt, dat de „Synode" deze regeling met leede oogen aanzag. Inderdaad, het is merkwaardig om te zien, hoe zij van 1825 af allerlei pogingen in het werk gesteld heeft, om het „oppertoezicht" op het beheer in haar handen te krijgen. Als een poes om den vogel, zoo sprong zij geheel de 19e eeuw door met begeerige oogen om de beheersquaestie heen, haar aanval meer of minder krachtig wagende, naar gelang zij het terrein veilig achtte. Maar tot heden zijn bestuur en beheer in de Herv. Kerk twee, en blijft het een geliefd onderwerp van dispuut, öf de Synode en in 't algemeen, of de bestuurscolleges bevoegdheid hebben zich in te laten met beheerszaken, en bestaat daar alzoo een dualiteit, <lie soms de zonderlingste toestanden in 't leven roept.

Zoo was dan het beheer en zijn regeling, men zou het met ■een zucht van verlichting kunnen zeggen, weer onverkort aan het rechte kantoor, de plaatselijke Kerk, gekomen. En men zou er bij

Sluiten