Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te geven. Hij doet dat, na van zijnen overvloedigen arbeid te hebben gesproken, niet de woorden: „Doch niet ik, maar do genade Gods, die met mij is."

Doch de laatste woorden zijn ook als volgt vertaald: „Niet ik, maar de genade Gods met mij", en dat deze vertaling naar het hart en de leer van de Roomschen en Remonstranten en sommige ethischen is, kunnen wij weten. Zij toch ontkennen den dood en doemstaat van den gevallen mensch. Aan den wil des menschen kennen zij ook nog wat, het zij dan veel ol weinig, toe. Zij laten door hunne vertaling „met mij" Paulus deel aan den lof van den arbeid en aan de vruchten der Evangelieprediking hebben. Zij erkennen niet, dat wij sinds den val geestelijk dood voor God zijn. Zij gelooven niet, dat wij van nature „onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad." En hoewel wij, gereformeerden, mot hen erkennen, dat wij, als wij wedergeboren en als Paulus bekeerd zijn, niet meer, gelijk weleer, ganschelijk onbekwaam zijn „tot geestelijk goed", toch staat het voor ons vast, dat wij voortdurend genade behoeven, om do genade ons geschonken, te beoefenen en er winst mede te doen voor het koninkrijk Gods. Na de wedergeboorte en de bekeering is en blijft het: „Al onze bekwaamheid is uit God." Daarom is het niet alleen „ Uit Hem", maar ook „Door Hem" zijn allo deze dingen". En zooals de Dichter zegt: ,,'kZal door Uw kracht U dienen, voor U leven, En t zal den Heer eens worden aangeschreven. In't nageslacht". Mitsdien zingen wij in diepe overtuiging en van ganscher harte : „Niet ons, o Heer, niet ons, Uw Naam alleen, Zij om uw trouw en goedcrtierenheên, Al d' eer, en roem gegeven". Alsmede: „Welzalig hij, die al zijn kracht en hulp alleen van U verwacht . De onzen hebben dan ook met recht en reden de laatste woorden vertaald: „Doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is'. En Paulus wil daar niet mee zeggen, al is het ook dat hij overvloediger gearbeid heeft dan zij allen, dat hij eer en lof verdient boven de andere apostelen. Hij kent en weet zich de minste en onwaardigste van allen. Hij toch heeft Jezus vervolgd, Zijn oogappel willen uitroeien. Het gaat Paulus met z'Jn „niet ik als David, (2 Sam. 23) die zich de zoon van Isaï en de minste onder de broederen noemt, en als een wonder van Gods genade.... „Hoog is opgericht, ja de gezalfde Gods" en

Sluiten