Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienen, werkelooze, wedergeboorte, te beteekenen? Wat hebben wij zóó nog aan haar? Hetgeen ons feitelijk tot Jezus brengt, de op lateren leeftijd komende Goddelijke en onweèrstandelijke trekking, als die ons dan maar mag geschonken worden! Het voorafgaande helpt ons niet indien wij het ontvingen, en het missen schaadt ons, als wij dat latere maar mogen ervaren. „Ervaren" zeggen wij, want er is benevens een verborgen ondergaan, een dadelijk ondervinden, een verwerken in het gemoed, zóó dat de uitkomst is: ons direkt gaan tot den Heere.

Niet voorbijgegaan mag hier worden Jac. 2:17. Aldaar lezen wij dit: „Alzoo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zich zeiven dood". Wij vinden het herhaald in vers 26: „Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood". Een geloof zonder de werken is dus een dood geloof en geen zaligmakend of levend geloof. Dit komt evenwel niet overeen met de leer, dat in den regel in de kerk de in leven blijvende kinderen indien uitverkoren, reeds wedergeboren of met de gave des geloofs voorzien zijn, terwijl dan de vruchten of werken van dat geloof nog wel twintig of dertig jaren, ja langer kunnen uitblijven. Het geloof zonder de werken is dood, zegt Jacobus, zoo goed als het lichaam zonder geest, dood is. Kan nu het lichaam wel gedurende eenige jaren zonder geest bestaan, en leven? Immers neen. Zoo ook het geloof zonder de werken niet. Gelijk, — of Grieksch: precies zooals, — het lichaam zonder geest dood is, alzoo ook het geloof, is zonder de werken dood, vers 26, of: „bij zich zeiven dood', vers 17, 't geen een verscherping is. (1)

En nu kan men wel zeggen, dat in dit hoofdstuk gesproken wordt alleen van het geloof der volwassenen. Doch dat neemt niet weg, dat de Apostel de werken zóó nauw met het geloof verbindt, als de geest met het lichaam. Daarbij klinken de verzen 17 en 26 veel te sterk en te absoluut, om niet het geloof in het algemeen, te raken. Te meer daar

(1) Zie ook Dr. Huther, Handbuch über den Brief des Jacobus (commentaren van Meyer), pag. 122.

Sluiten