Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Punt 7.

Diaken W. Begeer zeide, tot zijn leedwezen alles gehoord hebbende, het gewenscht zou zijn dat die broeders, die zich schuldig hadden gemaakt, ook nu schuld zouden belijden, wat zij toch nu nog konden doen, doch het tegendeel bemerkte, en daarom moest mee gaan de censuren toe te passen.

Punt 8.

Broeder Heij zegt dat hij weet waaruit de moeiten zijn voortgevloeid, omdat de Kerkeraad geen nota had genomen, van een ingezonden lijst, met verzoek Molenaar ten tweede male te beroepen. De Voorzitter antwoordt Broeder Heij, dat uit dat gezegde zeer duidelijk blijkt, dat wraak geoefend wordt omdat de minderheid hun zin niet kan krijgen, wat ieder moet afkeuren, en zeer onchristelijk zal noemen.

Als men iets heeft te verzoeken kan ieder lid dat doen op de Kerkeraadsvergadering maar behoort men niet met lijsten rond te gaan, wat tot oppositie aanleiding geven kan zooals hier is uitgekomen. Broeder van Dijk zeide nog dat meer gelet werd op opvliegendheid dan op vermaning.

Broeder G. Vonk het woord verkregen hebbende, zegt dat zijn vader was beleedigd door P. den Broeder, maar als ik dan zie op zoovelen die zondags schitteren door afwezigheid, hij dan een voorbeeld kan nemen aan zijn vader die zooveel deed. De Voorzitter, geen discussiën meer toelatende, sloot de vergadering met dankzegging, waarna Broeder Balen Sr. verzocht te zingen Ps. 122: 3.

Openbare vergadering gehouden 1 Mei 1907.

Punt 1.

De Voorzitter, de vergadering op gebruikelijke wijze geopend hebbende deelt mede dat de Kerkeraad verslag wenschte te doen van het stoffelijke, en wel dat er kans zou bestaan het benoodigde geld te verkrijgen. Er deed zich echter een bezwaar voor, en wel dit, geen 2de Hypotheek kon gegeven worden, maar hoogstwaarschijnlijk wel een eerste, zoo de eerste Hypotheek die er op stond werd opgezegd, en dan een eerste zou worden genomen zoo veel hooger, waarvan De Goeij werk gemaakt had. Hij had gehoopt heden verslag te doen over een en ander, doch werd teleurgesteld door een schrijven, dat die Heer niet kon komen vóór morgen Donderdag, en kon dan nog wel namiddag

Sluiten