Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

matigd en bezadigd standpunt innam in zake „scheiding van Kerk en Staat" en volstrekt niet tegen subsidiëering was van de Kerk door den Staat. Toen sprak Thorbecke namelijk het volgende (en wij vertrouwen, dat velen zijner volgelingen ook thans nog met hem dit bezadigde, tegenover de religie niet vijandige, maar inderdaad liberale standpunt innemen): „De heer Van Delden acht het onbillijk, dat de Afgescheidenen uitgesloten worden, ik ook. De heer Van Delden zegt echter: zoo er in l geheel geen subsidiën meer worden toegekend, dan houdt de onbillijkheid op. Een radicaal middel, maar is het billijk? Dit brengt mij tot de schriftelijke beantwoording van den minister en ,ik vraag: is het de taak vah het Gouvernement, te waken, dat er geen godsdienstige of kerkelijke verdeeldheid ontsta? Moest men dat niet overlaten aan de vrijte ontwikkeling van ieders overtuiging? Ik zou niet wenschen, dat de regeering door eene al te liberale aanbieding van subsidiën tot scheiding uitlokte, doch aan de andere zijde, waar gevestigde gemeenten zijn7 b ij welke b 1 ij k t, dat z ij' d, e kosten harer kerkelijke Godsvereering niet kunnen bestrijden, daar zou ik mild z ij n in verleening van onmisbare hulp" (vg. O. Schrieke, Scheiding van Kerk en Staat, bl. 35).

Er is natuurlijk tweeërlei oplossing der kerkelijke kwestie, van staatkundige zijde bezien, mogelijk: eene negatieve oplossing (intrekking van alle subsidie en alle rijkstraktementen), waarbij de Kerk het kind van de rekening wordt en de moderne Staat in zijn ,antireligieus karakter zou openbaar worden, en eene positieve oplossing (uitbreiding van de subsidie over alle kerken), waarbij1 de onbillijkheid tegenover de gescheidenen zou worden opgeheven en dus althans in dit opzicht eene „antithese" zou worden verzacht, ja, wellicht in de toekomst hare wegneming mede zou worden voorbereid. Deze laatste oplossing staan Wijl voor en dit is blijkbaar ook de oplossing, die Thorbecke verdedigde.

was hij zeer geneigd, deze vraag toestemmend te beantwoorden, doch na kennisneming van de verklaringen van de voornaamste organen dier Kerk, dat zij een geldelijke uitkeering voor hunne Kerk noch verlangen, noch zouden mogen aannemen, vindt hij vooralsnog geen vrijheid daartoe te adviseeren." (Verslag, blz. 88; v.g. v. Leeuwen, blz. 72). Wat dit laatste betreft, thans zijn velen in de „Gereformeerde Kerken" van een ander gevoelen en in elk geval zou het toch billijk zjjn, henzelf ov*r de al of niet aanneming van subsidie te laten beslissen.

Sluiten