Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als in den ouden droom van Jozef: de zon en de maan en de sterren buigen zich allemaal voor mij neder. De booze hoovaardij des harten zegt: ik, en altoos: ik. Het harte zoekt niets anders in de wereld, dan dat ons ik het goed hebbe, en bij niemand achtersta, en bewierookt worde. En dat nu is de leugen van ons hart. Want zoo is de majesteit des Heeren voor ons verkleind, en ver naar den horizon van ons leven teruggedrongen. Alle verhoudingen zijn hierdoor vervalscht. Het kleine is groot geworden, en het groote werd klein. Zooals het kind meent door gezichtsbedrog, dat hij wel tweemaal zoo groot als de zon is — evenzoo meent een mensch, dat hij bijna grooter is dan God.

Naar de Schrift is het zoo heel anders. De Heere woont bij den nederige van hart en bij den verslagene van geest. „Hij geeft den moeden kracht en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geene krachten heeft." Als gij dat verstaat, dan moogt gij niet hoog en groot meer wezen. Het is beide malen dezelfde persoon die den Heere verwacht: de moede en die geene krachten heeft. En hunner is nu de belofte: „zij zullen de kracht vernieuwen". Zooals een kranke, die eerst zwak op zijn leger lag, maar weer op zijn krachten komt en eiken dag toeneemt: eerst loopt hij eens door de kamer, en moet telkens wat rusten, en ten slotte zet hij weer den schouder onder het werk, om van den morgen tot den avond te zwoegen. Dien die geene krachten heeft, worden de krachten vernieuwd! Hij zal gaan door de wateren, en zij zullen hem niet overstroomen, door het vuur, en het zal hem niet verteren. God de Heere zal dagelijks een nieuwe kracht voor hem wezen. Hij zal zelf hem bevestigen en schragen .... Hebt gij gezien, hoe de jongen in het nest wachten op de moeder, die het voedsel brengen zal? En wanneer zij komt aanvliegen, dan ziet gij in het nest niets dan gapende monden. Zoo, zegt de psalm, is een ziel er aan toe, die waarlijk den Heere verwacht. En daarom de toezegging: „opent uwen mond, en Ik zal

hem vervullen".

Maar nu verder. „Zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk

Sluiten