Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het getuigenis des H. Geestes niet verdonkeren of met dwaling vermengen. De taak, in de Schrift het goddelijke van het menschelijke te scheiden, is voor hem mogelijk geworden, omdat hij werd wedergeboren. En dit alles wordt dan gestaafd met een woord van dien zelfden Johannes, die in dien zelfden brief (1 : 8) het beleed: „Indien wij zeggen, dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij ons zeiven en de waarheid is in ons niet".

Resumeerende komen we tot dit resultaat:

De H. Schrift is de objectieve waarheid, de volle, in Christus voltooide, Heilsopenbaring. En het getuigenis des H. Geestes is die werking van den H. Geest in ons, waardoor wij gebracht worden tot de subjectieve erkenning, tot de subjectieve verzekerdheid van die waarheid. Omdat de Heilige Geest in de Schrift den weg der zaligheid heeft geopenbaard, en aan die openbaring — niets meer en niets minder — getuigenis geeft in ons, hebben wij onze ervaringen telkens aan de Schrift te toetsen, om te weten, of wij het getuigenis des H. Geestes niet door onze zonde verdonkeren en met dwaling vermengen, of wat wij voor het getuigenis des H. Geestes houden dit ook werkelijk is.

Dit is geen subjectivisme en ook geen cirkelredeneering.

Geen subjectivisme, want op deze wijze wordt de subjectieve voorwaarde, waaronder het object alleen kan gekend worden, niet tot principium der kennis verheven. „Want het oog moge een onontbeerlijk orgaan voor de waarneming van het licht zijn, het is er toch niet de bron van".

Sluiten