Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leeuwarden en later uit Duitschland aan Laurillard geschreven door den moordenaar, op blz. 17-21 van zijn boekje door hem behandeld. Die brieven kan men niet lezen zonder de gedachte te voelen oprijzen, dat het leven wel benijdenswaard is, wanneer men de gave bezit om menschen, die ver afdwaalden en diep vielen, te kunnen redden zooals Laurillard het heeft gedaan met dezen.

Dezelfde Willem Hendrik Suringar, die in 1828 met J. L. Nierstrasz en W. H. Warnsinck het „Nederlandsch Genootschap tot zedelijke verbetering der gevangenen" oprichtte, stichtte in 1851 te Gorsel de Landbouwkolonie „Nederlandsch Mettray", opvoedingsoord voor verwaarloosde of zichzelf verwaarloozende knapen. In de eerste helft van 1869 - het stuk draagt geen datum, maar moet toen geschreven zijn - richtte de Heer Suringar tot Laurillard dezen brief:

Mijn Vriend!

Het doet mij genoegen Gij U bereid verklaart om bij de Hoofd-Commissie door ons als Mede-Commissaris van Mettray te worden voorgedragen. Dit kan niet zoo heel vlug gaan, omdat wij met leden buiten de stad te doen hebben. Dit treft in zooverre goed, dat Gij niet voor 20 Julij naar Mettray zult behoeven te gaan.

Dat gij U bereid verklaart geeft mij eene groote gerustheid, als ik eens niet meer kan of opgeroepen word. Dan wordt Gij s. D. v. mijn plaatsvervanger en ik betrouw het U toe, omdat ik dan zeker ben, dat Gij het kind, dat ik lief heb, ook meer en meer zult waardeeren en den geest in de opvoeding zult blijven handhaven. Zoo lang als ik er bij ben, zijn

Sluiten