Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen, want zij hebben geld, — en de voogden onttrekken hun hun goed. Daar verheugt zich eene Gemeente over het bezit van een geloovig leeraar — en deze moet naar elders vertrekken, of wordt uitgeworpen. Daar geeft de Heere eenen mensch ijver tegen de vijanden — en Hij laat het den vijanden gelukken, en bindt hem handen en voeten, zoodat hij tot op de beenderen verteerd wordt. — Daar heet het: „Mijnen vrede laat Ik u", — en bij het minste woord, dat wij spreken, is er oorlog. Daar heet het: „Ik zal u niet begeven", — en als de wereld ons uit het boek haars levens heeft geschrapt, gaan wij orizen weg, als behoorden wij niemand toe. Het schijnt ons toe, als hadden wij alleszins goede hoop, als stond nu onze berg vast, en — eer wij er op verdacht zijn, — liggen wij op den grond. Geenen dag rust, — geen blijven op de hoogte; , steeds meer in de diepte — en toch naar boven! Steeds „per desperata", door het wanhopige heen, — en van alles ontbloot en ontledigd, steeds „per contraria", door het tegenstrijdige heen, — zoo ligt de weg.

De Gemeente heeft er een voorgevoel van, dat de toekomst van den Messias aanstaande moet zijn; Hij komt, — waar is nu de verlossing? (Ach! op hoe menigen Kerstdag is reeds een Bartholomeüsnacht gevolgd.) — Herodes moordt in Bethlehem; ook de Messias moet uitgeroeid worden, — en Rachel wil zich niet laten troosten, want het is met haar gedaan. Ziet! daar komt de Heere, Die gelukkig ontkomen was, weder uit Egypte; dat had men niet verwacht, — doch nu, nu zal de verlossing toch wel

gekomen zijn?! — Ach, daar slaat men den Verlosser aan het kruis, sluit Hem in het graf, — reeds is het de derde dag, — en de Kerk meent, dat het met haar gedaan is.

Zoo is het steeds gegaan, en zoo zal het blijven: zalig hij, die zichzelven en zijnen weg, en wat hij is en wat hij heeft, zijnen God steeds in handen stelt, en zichzelven oordeelt en aanklaagt, en bekent, dat het met hem gedaan is en onze kracht de Heere alleen is. — Vóór het daartoe komt, moet de ziel dikwijls met den 44«ten Psalm roepen:

Sluiten