Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Boven door den Geest wedergeboren, — dat wij nieuwe schepselen geworden zijn; — tenzij er eene waarachtige geestelijke verandering bij ons hebbe plaatsgegrepen, en wij dus tot ware boete en bekeering komen.

De kennis van de grootte onzer zonden en onzer ellende bevrijdt ons van veie bekommernissen op den weg tot de eeuwige rust, doordien zij ons overtuigt, dat wij met ons pogen en streven, met ons willen en loopen, met onze krachten en goede voornemens ons steeds meer in een monnikachtig doen en drijven inwerken, en dagelijks teruggaan in plaats van vooruit te gaan; zij brengt ons er toe, dat wij inzien, dat de zonde te vast in ons zit, dan dat wij haar zouden kunnen uitrukken, en dat de bron onzer ellende te diep is, dan dat wij haar zouden kunnen leêgscheppen; dat onze onmacht te groot is, dan wij ons, zij het ook maar een weinig, uit ons zondenslijk zouden kunnen opheffen; — dat onze armoede te jammerlijk is, dan dat wij, door ons best te doen om onszelven te beteren, ook maar ééne zonde zouden kunnen betalen en verzoenen of uitwisschen.

Verder is zij ons eene medewerkster tot ware ootmoedigheid, want hoe meer onze ongerechtigheden ons drukken, des te minder zullen wij vertrouwen op iets, dat uit ons is, en des te meer los worden van eigene kracht, eigene gerechtigheid, inbeelding en hoogmoed, als waren wij toch iets- — des te eerder ook zullen wij onszelven oordeelen en 'aanklagen voor Hem, Die bij eenen verootmoedigde Zijne genade groot maakt, - Die hoeren en tollenaars, moordenaars en echtbrekers die zichzelven aanklagen, in Zijn Rijk opneemt, meer dan trotsche eigengerechtigen, die zich voor zoo slecht en rampzalig niet houden. — De bevindelijke kennis van onze zonde en ellende leert ons verder, hoe Gods genade heerscht, en te dezen aanzien brengt zij kostelijke schatten van troost mede, naardien wij des te meer blijmoedigheid in God zullen hebben, om Hem te loven, lief te hebben, en Hem te vertrouwen, hoe meer wij leeren inzien, dat het met ons eene afgesneden zaak is dat in ons in het geheel niets goeds woont, dat wij he

Sluiten