Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het eeuwige, loutere en vrije genade Gods in Jesus Christus was, dat hij uitgerukt werd uit de macht des Satans, zoo erkent hij het van dag tot dag, dat hij aan alles vertwijfelen moest, indien God niet had gezegd: „Ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid", — en, zijn geloof moge sterk zijn, of zeer zwak, gelijk een gebroken riet, hij mag God danken door Jesus Christus, zijnen Heere. Want dat Zich God krachtig aan hem betuigd heeft, — zooals geschreven staat: „Gij zijt mij te sterk geworden en hebt overmocht", — dat de trouwe Heiland van arme zondaren hem vrede en genade heeft toegeroepen, — — dat kan hij niet loochenen, dat laat hij zich niet ontstrijden. En komt het ook zoo ver met hem, dat hij aan alles twijfelt, dewijl hij meent, dat, zoo hij des Heeren ware, hij deze of gene zonde, en wat tot den ouden mensch behoort, niet had kunnen doen, — — hij zoekt het toch weder daar, waar hij het eerst het vond. Plotseling verrast hem de Heere weder en troost hem zeer liefelijk. Onbegrijpelijk is hem deze trouwe Gods; hij looft Hem om Zijne trouw, die nooit verandert, en verhaalt, wat de Heere hem weder voor goeds heeft gedaan, en zingt: „Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest". — Zoo gaat het op den langen of korten weg, al naar het den trouwen Herder Zijner schapen behaagt. Waar God spreekt: ,,Ik zal geven, dat uw werk in der waarheid zal zijn", daar ondervindt het de uitverkorene; daar breekt de genade door alle hindernissen heen, en daar straalt de Zon der gerechtigheid als op den helderen middag. Op deze wijze wordt het hart vast gemaakt, hetgeen geschiedt door genade. Daar heet het: „Gij nu, o Mijne schapen, schapen Mijner weide! gij zijt menschen; maar Ik ben uw God"; daar hoort men — en men verheugt er zich over en wordt goedsmoeds —: „Mijne schapen hooren Mijne stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij; en Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijne hand rukken". Daar roept de Heere iemand toe: „Die

Sluiten