Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volkomen aangebracht worden, en zulks van de jeugd af aan tot het einde van ons leven, zonder nalating, met lust, ijver en blijmoedigen zin. Want de Wet is geestelijk. En nu, beproeft het.

Gij zijt vleeschelijk! Ja, wij zijn vleeschelijk. En dat

„maar", hetwelk voorafgaat, snijdt hier diep door hart en nieren heen. Ja, wat zijn wij? O, mijne Geliefden! dat weet God, voor Wien niets verborgen was of is; wilt gij, dat wij het blootleggen, en het hart ontleden, waarin alle gruwelen huisvesten? zullen wij het naakt voor oogen stellen, wat in de diepte van ons hart zich zoo verborgen vasthoudt, dat men eerder diamanten en ijzer verbreekt? — — — Daar is er een, die het voornemen heeft opgevat, van nu af geheel voor God te leven, en dagelijks tot Hem te bidden, en dan zal hij tot het een of ander in staat wezen — en ziet, er gaan dagen, ja weken om zonder een schreeuwen tot God uit de diepte. Hier is iemand, en hij meent het, die God boven alles hartelijk wil beminnen, maar — de minste begeerte! en hij heeft God uit het oog verloren; de geringste bezoeking, — en zijne vijandschap tegen God en Zijn volk breekt er op in. Ginds wil een ander zichzelven en zijn geheel belang en alles, wat hij heeft en verwacht, geheel aan God overlaten; maar de hulp blijft uit,— en hij begint zichzelven te helpen, en arbeidt zich zoo er nog dieper onder. — Maar, denkt weder een ander, God heeft mij zoo dikwijls uitkomst gegeven, immers zult gij nu, o mijne ziel, in wat het ook zij, op Hem vertrouwen! — en toch nieuwe nood, — nieuw ongeloof, herhaalde twijfel, of God het wel doen zal. Of ziet, gij waart in grooten nood, en dacht: als de Heere mij daaruit zal gered hebben, dan zal ik niet weten, wat ik Hem toebrengen zal; — Hij hielp, — waar is uwe dankbaarheid? — God alleen wilt gij vreezen; maar een dit en dat, waarvan gij u afhankelijk waant, bedreigt u, — en men ruimt de plaats der vreeze Gods in voor de vreeze der menschen. Gij wilt in 's Heeren Woord lezen, maar neen, — gij neemt eerst de nieuwspapieren in de hand. Gij wilt hier of ginds met macht getuigenis afleggen van den weg des heils, — gij bevindt u op de plaats, — de moed zakt ineen

Sluiten