Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij blijft toch over — en de laatste op het worstelperk in de kracht zijns Heeren, wiens roem en eer en heerlijkheid hij te verspreiden zocht. Mogt daartoe ook de vertaalde uitgaaf dezer Leerrede, (welke ik, om stijl en woordvoeging, ongedwongen vertaald heb, en alzoo den Vrienden der waarheid en des Schrijvers in zijn vaderland, alzoo verkrijgbaar make) door de genade des Heeren en den almachtig werkenden Geest vruchtbaar gemaakt worden, dan zoude ons tot dankzegging voor den Heere, en tot blijdschap verstrekken, te zien dat des Heeren naam verheerlijkt en des zondaars heil hierdoor bevorderd werd".

Van dit Voorbericht voorzien gaf de heer Albrecht de preek over Rom. 7: 14, uit het Hoogduitsch vertaald, in het licht. Zooals we reeds opmerkten (zie bladz. 19 noot) was dit de eerste van de drie „Gastpredigten", die hier uitkwamen, en wel onder het opschrift „Ellende en Verlossing". (Volledige titel — zie bladz. 47 noot). Dat was een door hem bijgevoegd opschrift. Hoe goed de heer Albrecht het ook mocht meenen, hoe hartelijk hij zich ook uitliet over Kohlbrügge en diens preek, hij was een alleszins onhandige vertaler en werd door zijne opmerkingen en verklarende bijvoegselen in den tekst der leerrede niet weinig oorzaak tot verkeerde oordeelvellingen. Al aanstonds heette J't:„ Ellendeen Verlossing", maar het derde stuk der „Dankbaarheid" ontbreekt! — Een paar voorbeelden zijner onjuiste vertaling willen wij hier aanhalen, en wel uit de preek over Ps. 45 : 14—16, waarop Dr. K. zelf opmerkzaam maakt in een paar brieven. Op bldz. 7 al. 4 van boven (zijner vertaling) „voegde hij de wonderlijke vertelling bij, dat onze Heere d e rti g j a re n lang het Joodsche land doorging goeddoende"; er staat eenvoudig (zie bldz. 7 al. 2 v. o. in deze uitgave) „Die Zichzelven ontledigde en de gestaltenis van een dienstknecht aannam"; op bldz. 11, 12 (zijner vertaling) lezen we: „zij ontvangt menigvuldige genade- en Geestes- gaven tot Gode welbehagelijke goede ;werken, welke zoo waarachtig uit het geloof voortvloeien, als de Geest zegt, dat „wij Gods maaksel zijn enz." terwijl K. eenvoudig schrijft (zie bldz. 11 regel 14 v. o.): zij ontvangt menigvuldige genade-en Geestes-gaven, die zoo waarachtig uit het geloof voortvloeien, als de Schrift zegt, dat „wij Gods maaksel zijn, geschapen in Christus Jesus tot"4goede werken enz"; en hij wijst daarop in een brief aan Jonkvrouwe U. Ph. van Verschuer (4 en 5 Mei 1834) zeggende: gaven tot zijn „Fahigkeiten"(bekwaamheden); gaven op zichzelve zijn waarachtige dingen, reali-

Sluiten