Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd heilig noemt, zoo kunnen wij in denzelfden betrekkelijken zin zeggen, dat zij tot de Kerk behooren, en dat' de Kerk nü nog bestaat uit oprechten èn niet-oprechten.

Dit is geen vervalsching van het kerkbegrip. "Want er wordt niet geloochend, dat de bloot uitwendige leden in de diepte tot de Kerk niet behooren; en dat de Kerk zuiver genomen, natuurlijk alleen uit o p r e c h t geloovigen bestaat. Zij zijn echter allen g e d o o p t. Dus behooren zij ook in zooverre tot de Kerk; d.i.: de niet-oprechten alleen uitwendig. En de Kerk bestaat mede uit hèn, maar in haar uitwendige gestalte en naar haar uitwendige zijde. Tot de Kerk zélf, tot de Kerk naar haar verborgen geestelijk wezen behooren zij n i e t. Zoover zij i n het net zijn, en mede vergaderd zijn, en gedoopt zijn, en discipelen van Jezus zijn, zijn zij i n de Kerk, d.i. in de Kerk naar haar uitwendige of zichtbare zijde. Doch naar het hart, en naar de geestelijke werkelijkheid zijn zij er buiten.

De Kerk heeft twee z ij d e n, een naar Gr o d toegekeerd, en een naar de menschen en naar deze wereld. Tot de eerste, tot die welke naar Glod is gekeerd, en door Hem alleen zuiver wordt gekend, behooren de bloot uitwendige discipelen, de bloot uitwendige leden niet, maar tot de tweede wèl. Dit is zoo zeker waar, als zij ook zitten naar Joh. 15 a a n den waren wijnstok.

Dat zij niet de eigenlijke, levende leden van Christus, en dies van Zijn Kerk, zijn, en dat zij daarom eindelijk afvallen en dat zij ook in dezen tijd geestelijk buiten Jezus, en buiten Zijn waarachtig heil, en ook geestelijkerwijze buiten Zijn Kerk staan, — dat is zoo wel, — maar daar staat het leven der Kerk, gelijk zij het in deze zwakke, aardsche bedeeling leeft, nog niet ten volle.

Het is noodig, dat wij op het Schriftbewijs nog meer nauwkeurig ingaan.

Eerstens dan de gelijkenissen van Jezus, aangaande het Koninkrijk der hemelen, waarin de Heere levendig

Sluiten