Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of anders: het volk Gods, zooals het uitwendig met de kwaden vermengd, zich openbaart. Zij vormen met elkander de Kerk zooals deze tijdelijk bestaat. Totdat de Koning komt. Dan zullen de kwaden uitgeworpen worden, in de buitenste duisternis. Aldaar zal zijn weening en knersing der tanden. Tot zóólang éénerlei gedaante, en eenerlei genieting tot zekere hoogte, en eenerlei spraak, hoewel de kwaden geestelijk dood zijn en den Koning in Zijn eigenlijke en verborgen schoonheid niet kennen.

Hiermede stappen wij van de gelijkenissen af, om op andere zaken te letten uit welke wij de voor dit leven bestaande betrekking der onwedergeborenen tot de Kerk, naar Gods Woord verstaan kunnen.

Aan het volk dat slechts het uitwendige heeft, worden, óók onder het Nieuwe Testament, dezelfde namen en eeretitels gegeven als aan de ware kinderen Gods. In Joh. 2 wordt van zulken die niet ware vrienden van Jezus waren, maar slechts naar het uitwendige, gezegd, dat zij in Zijn naam geloofden. Hetzelfde vinden wij in hoofdst. 8. In verzen 30, 31 wordt hun geloof in Jezus toegeschreven, en toch in verzen 45, 46 wordt van hen gezegd dat zij niet geloofden. Zie de tusschenstaande verzen. In hoofdst. 6 heeten zulke aanhangers van Jezus „discipelen", zie verzen 60—66. Zie ook 12 : 4.

Ook de uitwendige belijders hebben volgens Jacobus geloof, al is het een dood geloof. Dus ook hun godsdienst is „geloof", d.i. heeft wel niet verborgen, maar toch voor het oog den vorm van geloof. Uitwendig: g eloof, inwendig: dood. Alzoo, wat den vorm aangaat, een Christen. Dus ingevoegd in den uitwendigen vorm, waarmede de Kerk in de wereld uitkomt, maar niet in het verborgen, geestelijke en blijvende wezen. Met den vorm één, zijnde daarmede samengegroeid ; naar het u i t w e ndige leven, maar niet naar het verborgen leven. Mede vormende de uitwendige schaal der Kerk, maar geen deel hebbende aan de Kerk zélf.

Sluiten