Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dige leven betreft, en voor d i t leven. Zoover het ééne, zóóver óók het andere. Zoo min als het eene mag geloochend worden, zóó min ook het andere. Het is overal een gemeenschap, een eenheid zoover het niet gaat boven het niveau van het natuurlijke, een gemeenschap, een eenheid naar het uitwendige, naar het zichtbare, naar het uitwendig geïnstitueerde, en wat den aangenomen Christelijken levensvorm betreft. Maar komt gij tot het inwendige, het verborgene, het zijn voor God, zoo hebt gij over geheel de linie terstond de scheiding, terstond de tweeheid. Maar blijft gij bij het uitwendige, bij het voor d i t leven naar zijn uitwendige zijde ingestelde, zoo hebt gij een gesloten éénheid en eenerleiheid ; en zelfs verder gaande dan ons zinnelijk en oppervlakkig ziend oog zou bevroeden.

Institutair zijn zij in de Kerk. Zij behooren tot bet instituut, tot den uitwendigen vorm of verschijning, tot het zichtbaar geheel der Kerk 1 Cor. 10 : 17, 15 : 34, maar niet tot het verborgen geheel, niet tot de Kerk zélf. Dit uitwendige bestaat mede uit hen. Zij zijn er een deel van, niet van de Kerk in geestelijken en eigenlijken zin gesproken, maar van het lichaam waarmede en waarin deze zich als zoodanig, openbaart en geeft en doet kennen, in de wereld en voor een ieders oog, — van het geheel van dat uitwendig en zichtbaar samenstel dat men noemt in breederen zin de Christenheid, en dat zich in verschillende kerken kerkelijk ingericht heeft. Van die „kerken", dat zichtbare samenstel, zijn zij wezenlijk leden, zijn zij mede de samenstellende en vormende deelen, zóó zeker als zij naar de gelijkenissen zoo goed als de oprechten, uitwendig vergaderd zijn, en i n het Huis zijn, en aanzittende gasten zijn.

Alles naar het uitwendige zeer zeker. Daar gaat het hier ook over. Het is de vraag of zij w e r k e 1 ij k tot het uitwendige, tot de uitwendige schaal, tot de uitwendige verschijning behooren, en dus mede een deel zijn van het uitwendige lichaam. En wij zeggen: ja, waar uit-

Sluiten