Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„waarlijk ziet, geenzins afhangt van het al of niet geloovig „omhelzen dier belofte door de ouders, is het tóch zeker, „dat alleen dat o m h e 1 z e n, bij de levendige erkentenis dat „zij mèt ons den eeuwigen dood verdiend hebben, den „ouders waren t r o o s t kan schenken over hun kinderen, „hetzij zij vroeg heengaan of niet."

Men zie verder ter aangewezen plaatse.

Van hetgeen wij hier zeggen nu, wenschen wij niets af te doen. In de Leerregels van Dordt, hoofdstuk I, lezen wij dat „godzalige ouders niet moeten twijfelen aan de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsohheid uit dit leven wegneemt." Dit, op zich zelf genomen, is met hetgeen wij daar zeiden in overeenstemming. In den weg van het geloovig omhelzen en aangrijpen van den éénigen weg der redding, n.1. het Verbond, wordt dit verkregen. Niet twijfelen! Dus verzekerdheid en vasten troost behooren godzalige ouders te bezitten omtrent hun kinderen. Omtrent den weg waarlangs die te verkrijgen is, kan geen kwestie bestaan.

Indien de geachte recensent dan vraagt: „ Welken Schriftuurlijken grond houdt gij over voor het geloof aan de zaligheid onzer jonggestorven kinderen?" antwoorden wij: het Verbond. Maar zonder dit Verbond aan te grijpen, door een levendig geloof, kan de ware troost in dat Verbond en op grond van dat Verbond, met betrekking tot onze gestorven, of stervende kinderen, er ook niet zijn. Niet dat hun zaligheid rust op onzen troost. Die rust op het Verbond. Alleen weten wij niet, dat de verkiezing onder jongstervenden in het Verbond, niet ingrijpt. Zie wat wij daarvan zeiden in ons hoofdstuk over „De wedergeboorte der vroegstervende kinderen", pag. 120 van het genoemde werkje. Nochtans zal God het geloovig en gehoorzaam aangrijpen van Verbond en belofte, welke God ons ten opzichte van onze kinderen in handen geeft, niet beschamen. En dit wegens de onkreukbaarheid en waarachtigheid Gods.

Sluiten