Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat indien de werking niet oogenblikkelijk plaats heeft, het zijn eigenlijke werking immer zal moeten missen. Door zulk een meening is het noodig om ten behoeve van de kinderen een werking van den Doop, die toch voor het gansche leven dient, te bedenken, die geheel van de natuurlijke werking der genademiddelen afwijkt. Dit is zoo iets geheel bizonders, zoo iets geheel op zich zelf staande, en wijkt zoo van het gewone, Bijbelsche af, dat wij het niet zoo maar kunnen en mogen aanvaarden, — tenzij, hoewel het tot nu ons onbekend is, de H. Schrift door een duidelijke leer, op deze of gene plaats voorgedragen, deze onze uitspraak veroordeele.

Wij kunnen hiervan niet afstappen, zonder onze gedachten nog eens samen te vatten.

Uit den band tusschen teeken en beteekende zaak, te besluiten tot de onderstelling van wedergeboorte bij den doopeling, is ons te kras. De sprong is te groot.

Want ook wij erkennen zulk een band. Ongetwijfeld. (Zie pag. 68 tot 72 van dit geschrift.) Evenwel hij brengt op zich zelf nog niet mee, — of: hij brengt niet noodzakelijk mede, — een zaligmakend doordringen daarvan, of deelkrijgen daaraan. Reeds bij het Woord bestaat zulk een band tusschen het uitwendige en het geestelijke.

Ook de vaderen allen, hebben de geestelijke spijs en drank genoten. Doch in het meerendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad. Dit nu is hun geschied ons tot voorbeelden. Hoewel die enkele aanraking en algemeen onder het volk bestaande gemeenschap met het heilige, zelfs toen reeds, het volk heiligde. Een heiliging die alzoo op zich zelt nog niet medebracht ook heiligheid des harten, of de wedergeboorte.

Er kan ziin een uitwendige aanraking of gemeenschap met het heilige, met het geestelijke, met den Christus, welke onderstelt het d a a r z ij n van het heilige, van het

Sluiten