Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ping is voorbeschikt. Integendeel, de Bijbelsche schrijvers onderstellen, op iedere bladzijde bijkans, dat God de wereld regeert. Wat God over de menschen doet komen houdt verband met wat de menschen doen. Indien Israël zijn wil doet zal hij het zegenen, indien niet dan zal hij het vloeken (Deut. 30. 1 Ivon. 8 enz.). De geheele prediking der Profeten is daarop gebaseerd en de herhaalde roep: Bekeert u, beteckent niets, indien de onderstelling is, dat de mensch dit toch niet kan al zou hij het willen. Wat God zal doen hangt af van het zich al of niet bekeeren (Luc. 138-5 Matli. II20 1241 Hand. 310 enz.).

Jlet gebed en de verhooring des gebeds behooren dan ook tot de veelvuldig voorkomende dingen in de Schrift. De wijze waarop het O. T. herhaalde malen over God spreekt, is met deze voorbeschikking ten eenenmale onvereenigbaar. Kuvper tracht dit bezwaar te ontgaan door op te merken, dat dit anders moet worden verklaard. Waar er sprake is b. v. van het berouw Gods en 't elders weer (1 Sam. 1529) heet, dat Hij geen berouw heeft, daar wordt op de eene plaats de zaak van de menschelijke zijde bezien en op de andere van de goddelijke. (Gem. Gratie II blz. 372). Daarmede ontkomt men echter niet aan de bewoordingen der Schriftuur, want Gen. 6' spreekt God met eigen mond „ik lieb berouw dat ik hen heb geschapen," evenals 1 Sam. 1511. Het is hier juist het omgekeerde van hetgeen het volgens Kuyper zijn moet: waar God zelf spreekt, zegt hij berouw te hebben (1 Sam. 1511), waar de mensch over God spreekt, wordt gezegd, dat hij geen berouw heeft (1 Sam. 1529). Ezech. 18 leert nadrukkelijk, dat het in des menschen macht ligt zich ten goede of ten slechte keeren. (Ez. 1821 2430-82. Werpt uwe verkeerdheden van u . . . . want ik heb geen behagen in den dood van den stervende, Bekeert u en leeft spreekt Jahve). Ook hier is het God zelf, die door den mond van den profeet spreekt en de mogelijkheid om dit op den menschelijken factor te schuiven is daardoor uitgesloten.

Sluiten