Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

M. H., God beware ons, als de geleerden vervangen worden door de eenvoudige vromen, niet omdat daar geen waarheid is in hen, die zich zoo streng vasthouden aan de letter, — maar omdat de waarheid Gods eenvoudig geloochend wordt, en dat is de trouw, de liefde, die Hij zelf openbaart in Zijn wet.

Maar laat ons niet te lang bij dit eerste punt stilstaan.

Op den tempelberg, te midden der puinhopen van den verwoesten eersten tempel, stond na de ballingschap weer een altaar en een hoogepriester, — maar helaas! hij zag er niet uit als een hoogepriester (Zach. 3.) De levitische wet had nauwkeurig voorgeschreven hoe zijne kleeding wezen moest, maar hij had zijn muts niet op, met de voorhoofdsplaat: „heiligheid des Heeren," en nu zeiden de vromen uit dien tijd: hij is geen hoogepriester, want God heeft gezegd hoe die er uit moest zien, en hij ziet er heel anders uit! Zij moesten zich wel ergeren en konden den offeraar met vuile kleederen niet erkennen!

Maar, hoe hebben wij het te verstaan, dat door een vroomheid, die zich houdt aan het Woord, God onteerd wordt? Zóó, eenvoudig, dat de gerechtigheid van den mensch bestaat in de gehoorzaamheid om te doen wat daar in de wet gezegd is, en dat wij daardoor Gode welbehagelijk zijn. Wel, lieve Vrienden! alsof God er iets aan had, dat de menschen 's Zondags met de armen over elkaar gingen zitten in zijn huis, en alsof Hij er iets aan had, dat de menschen Hem verheerlijkten en bezongen!

Zijn lof wordt gezongen door duizenden daarboven in de hemelen! God geeft er wat om, om het zoo maar eens te zeggen, of gij daar al zingt en leest. Meent gij, dat God daartoe het sabbatsgebod heeft gezet? De grond van de wet is eenvoudig, dat God U zoekt. En gij wilt God zoeken!

Dit is het verschil: gij wilt God dienen, terwijl God u wil dienen. Maar nu zijt gij zoo door en door wantrouwend tegen God, dat gij van Hem den tyran maakt, die ge zelf zijt! Als dat zoo is, zing ik niet meer, dat Zijn geboön mij tot Zijn liefde

Sluiten