Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het klinken, terwijl gij het laatste zand schudt van den voet: „Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart... Vertrouwt dan op den Heere tot in der eeuwigheid, want in den Heere Heere is een eeuwige Rotssteen!"

Naar overoude gewoonte, maar veel meer naar de behoefte van mijn hart, wil ik deze plaats niet verlaten, zonder een enkel meer persoonlijk woord van afscheid te hebben gesproken.

Laat ik dan allereerst aan U, geliefde medebroeders in de bediening des Woords een vaartwel uit den grond mijns harten mogen toeroepen. Sommigen uwer waren reeds hier toen ik kwam, en nooit hoop ik te vergeten de hartelijke liefde, waarmede gij mij hebt ontvangen, en die niet verkoeld is, en allerminst het woord waarmede de oudste onder u mij inleidde tot mijn dienst. Anderen uwer mocht ik tot deze gemeente zien komen, en met blijdschap denk ik terug aan den dag, toen door de saamsmelting de kring der broederen verdubbeld werd. Met dankbaarheid denk ik terug aan onze vruchtbare samenkomsten, waar wij van elkander plachten te leeren, en wij in het zoeken van het heil der gemeente één in streven waren. Met dankbaarheid aan de vriendschap en broederlijke genegenheid, die gij mij hebt willen toedragen. Er was onder ons verscheidenheid van gaven, maar geen verschil in richting of bedoelen. Voor beide mogen wij onzen God danken, want door beide wordt de gemeente gebouwd. Wilt mij vergeven, broeders, wanneer ik ooit, hetzij in getrouwheid, hetzij in zachtmoedigheid te kort schoot, of wanneer ik vergat te zien niet alleen op het mijne, maar ook op hetgeen der anderen is. God zegene U, mijn medebroeders en vrienden! in Gods huis en in uw huis; Hij blijve U sterken naar lichaam en geest. Hij geve U vrede en broedertrouw onder elkander, en hoe meer gij voor deze gemeente zult willen werken en bidden, strijden en lijden, hoe meer ik U in Christus en zijn volk zal liefhebben. Ook uw sterkte zij de Rotssteen, wiens werk volkomen is.

Ook onzen broeder Esser roep ik met zijn gade in het verre Oosten te midden van zijn heerlijk werk voor ons, een hartelijk „God zegene U!" toe, met de bede, dat hij spoedig met br. v. Stokkum een tijdperk van vruchtbaar arbeiden mag tegengaan.

Sluiten