Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene der eerste werkzaamheden van deze vergadering was het onderzoeken en aanstellen tot den predikdienst van den Candidaat A. C. van Raalte. Reeds had in het Hervormd genootschap van Raalte het examen bij het Provinciarl Kerkbestuur van Zuid-Holland met goed gevolg doorgestaan. Nochtans had dit bestuur geweigerd van Raalte te bevorderen, alleen omdat deze verklaard had zich niet onvoorwaardelijk te kunnen verbinden aan de reglementen van dat genootschap. Nooit was vroeger eene verklaring, met betrekking tot de reglementen, van iemand, bij de toelating tot den predikdienst, gevraagd. Het Kerkbestuur vroeg thans, uit vrees dat van Raalte zich zou gedragen gelijk anderen, die zich aan Gods woord en de Formulieren van eenigheid verbonden, van hem dit bewijs van onderworpenheid. Maar hieruit bleek duidelijk en onwederlegbaar, dat de deur aldaar voor Godvreezende candidaten door het Kerkbestuur gesloten was. Van Raalte had daarop in December 1835 alle kerkelijke gemeenschap met het hervormd genootschap opgezegd.

Thans oordeelde de Synode der uitgeleide gemeenten het examen van dat Kerkbestuur niet als geldig te kunnen beschouwen. Van Raalte werd daarom door de vergadering onderzocht, met algemeene instemming bevorderd en in den dienst bevestigd.

Was deze vermeerdering van het getal leeraren eene groote reden van blijdschap, daarentegen ondervond de vergadering groote teleurstelling door het gedrag van den leeraar J. van Rhee. Deze was van onzedelijke handelingen beschuldigd. Met verzwarende omstandigheden onttrok hij zich aan het verzoek om zich te verantwoorden, en werd, daar zijn wangedrag onwedersprekelijk gebleken was, door de vergadering van het herders- en leeraarsambt ontzet. Spoedig derhalve is reeds in de uitgeleide gemeenten de kerkelijke tucht gebruikt, en werd ook hierin de overeenstemming met artikel 29 der Geloofsbelijdenis bewezen. Vele belangrijke zaken heeft voorts deze Synode bespro-

Sluiten