Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergeetachtigheid van de krantenlezende Nederlanders weer moed te vatten ; naar aanleiding van de geruchten omtrent het benoemen van een „eereraad" lieten zij weer iets van zich hooren.

De Nieuwe Arnhemsche Courant had het opnieuw over „onjuist gebleken verklaringen" over „al of niet schuldig zijn aan corruptie", en betreurde het, dat niet „alle partijen, doch in het bizonder die der Unieliberalen het zich tot een plicht hebben gerekend zélf een enquête-voorstel in te dienen'' ; zij eindigde met den wensch uit te spreken, dat als het gepleegd verzuim niet weder goed kan worden gemaakt — dan toch „het voorstel-Troelstra krachtig zal worden gesteund". Het blad verlangt dus, dat het weer „door dik en dun" met rot en vuil op Kuyper los zal gaan, net alsof er niets weerlegd ware van alles, waarmede deze in de laatste maanden bestookt werd ; maar gelukkig, het Nederlandsche volk wordt er beu van, het begint den ganschen opzet te doorzien en het krijgt een afkeer van de kleine politici, die „over een lintje vallen" met het doel een groot tegenstander „ten val" te brengen.

In „de Vaderlander", het orgaan van de Unie-liberalen werd een ietwat andere toon aangeslagen dan in de N. A. Courant. Er stond : het moet nu maar uit zijn!" Men denke echter niet, dat deze woorden precies dezelfde beteekenis hebben, als die welke ik er in mijn „Telegraaf'-ariikel in heb gelegd !

De Redactie vindt het „niet goed" op het enquête-voorstel in te gaan, want „men moet niet vergeten, dut ook door eene parlementaire enquête geen licht zal kunnen verstrekt worden over het hoofdpunt, waar het om gaat, nl. of Dr. Kuyper voor zich zelf eenig verband heeft gelegd tusschen de decoratie voor de familie Lehman en de gelden, die hij voor de antirevolutionaire partijkas ontving '. Er staat zelfs: „daarover zal men 't èn in den „eereraad", èn in de „parlementaire enquête" toch met het „eerlijk woord" moeten doen.

Wie er zóó over denkt, die had, dunkt me, mèèr reden gehad om van den aanvang af te zeggen : „daar moeten wij niet aan beginnen," dan om thans te zeggen : „het moet nu maar uit zijn"; tóch zou ik mij over deze wel wat laat zich openbarende helderheid van geest nog hebben kunnen verblijden, ware het niet, dat de Redactie van „de Vaderlander" haar artikel triomfantelijk meende te mogen eindigen met lo. te gewagen van de reeds toegediende „bestraffing van den minister, die zijn ambt zoo weinig hoog bleek gehouden te hebben, dat hij zich zelf schuldig moest verklaren aan onvoorzichtigheid" en 2o. te roemen op wat bovendien „verkregen" heet, nl. dat „de staatsman, die hooger steeg dan na Thorbecke ooit gezien was, door zijne onvoorzichtigheid de ministerieele portefeuille voorgoed buiten zijn bereik zag vallen."

't Begint werkelijk op het malle te gelijken; de Redactie erkende immers, dat nóch in den eereraad, nóch door de parlementaire enquête „licht zal kunnen verstrekt worden" over „het hoofdpunt, waar het om gaat" en tóch aarzelt zij niet om van uit de duisternis te juichen over de reeds toegediende „bestraffing" en over wat zij verder „verkregen" acht, nl. den val van Kuyper als staatsman !

Ook bij haar blijkt dus de wensch de al te gemakkelijk barende moeder van de gedachte te zijn, in casu eene gedachte, die niet door de logica

Sluiten