Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de geloovige geene rust heeft, vóór dat het anker der arke zijner behoudenis achter het voorhangsel vastligt; maar daar komt nog bij, vooreerst, het gevoel van het vrije, ongehoudene van de zijde Gods, maar ook ten andere het gevoel, hoe in den mensch hoegenaamd geene bevoegdheid is, ook geen grond van aanspraak, waardoor de groote God Zich zou kunnen gebonden achten; veelmeer maakt juist de heerlijkheid Gods, het dierbare van Zijne belofte, bij het diepste bewustzijn van eigene onwaardigheid, dat men des te dieper graaft, hoe meer men gelooft, en des te meer bij God om den waren grond aanhoudt, hoe meer grond men onder zijne voeten heeft. Want het geestelijke leven ligt nooit stil; het is met het geloof niet gelegen als met een rekenvoorstel, dat eenmaal opgelost is. Neen, het gevoel dat men stof, aarde en assche is, en dat de Heere God is, ligt bij den geloovige zoo diep, dat, schoon hij, ten spijt van alle duivelen, kan zeggen: „Ik weet dat mijn Verlosser leeft", hij evenwel niet zoo koelbloedig, alsof het eene alledaagsche zaak gold, zich zal vermeten te zeggen: „Ik ben verzekerd, ik heb het". God heeft alles alleen in Zijne hand; Hij is in den hemel der hemelen, en wij zijn op aarde. En nimmer was zekerheid en gerustheid des vleesches eene vrucht des Heiligen Geestes. God weet wel op wien Hij nederziet. En dat is nu het verbond, waartoe Hij hen brengt, en waartoe Hij ook Abram gebracht heeft.

Het kan wel zijn, dat God het verbond, hetwelk Hij met Abram maakte, — ofschoon het ook later een Oostersch gebruik werd, — vroeger reeds met Adam gemaakt heeft; want, heeft God Adam rokken van vellen gemaakt, en hem die aangetrokken, dan moeten noodzakelijk eerst op Gods bevel door Adam dieren zijn geslacht geworden. Ik kan er thans niet over uitweiden, waarom God aan Abram eene vaars, eene geit, een' ram, eene duif en eene tortelduif gebood te slachten. Het zij ons voor ditmaal genoeg te weten, dat het juist dezelfde dieren geweest zijn, die later voor den offerdienst voorgeschreven werden. Bijgevolg heeft de Heere, in treffende en troostrijke beelden, aan Abram Zijnen

Sluiten