Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het volksleven hier te lande in de 17 de eeuw stond in zeer nauw verband met de kerk. Iedere Nederlander behoorde tot de eene of andere kerk. De enkele uitzonderingen, die er waren, bevestigden enkel den regel. Wel behoorden niet allen tot dezelfde kerk. Men had Roomschen en Gereformeerden, Lutherschen, Doopsgezinden, Remonstranten en vele andere denominaties, maar wat men ook was, men had over 't algemeen hart voor zijn kerk. In alle omstandigheden van 't leven sprak zij een woord mee. Haar invloed ondervond men op' allerlei terrein. Hare geestelijken en leeraren lieten zich gelden in alle kringen van het maatschappelijk leven. En zelf werkte men mee om haar in stand te houden niet alleen, maar ook tot meerderen bloei te brengen. Men steunde haar door zedelijke middelen en door geldelijke bijdragen. Men liet zich in haar leer onderwijzen en door hare vermaningen leiden en stichten, men sterkte zich door hare sacramenten en onderwierp zich, al was het vaak ook geveinsdelijk en met tegenzin, aan haar tucht.

Dit alles behoeft ons niet te verwonderen. Immers van de vroegste jeugd af bestond er een band met de kerk. Die band, ontstaan door de geboorte uit Christen-ouders, die leden eener kerk waren, werd bij verreweg de meeste Nederlanders uiterlijk zichtbaar in den doop. De kinderdoop toch werd — uitgezonderd door de Mennonieten en 135

Sluiten