Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt, volghende het formulaer in de bedieninghe des doops ghestelt", maar ten opzichte der getuigen voegde zij er aan toe: ,,Dogh de ghetuyghen en sal men soo nauwe niet verbinden maer men salse hares ampts teghen het kint vermanen". Op de vraag, of men ook niet-lidrnaten der Gereformeerde kerk tot getuigen mocht nemen, antwoordde zij, dat het wel wenschelijk was „alleen de lidtmaten der ghemeynte" tot getuigen te nemen, „nochtans salmen de andere lyden ~) soo sy vroom van leuen ende den Evangelio niet teghen en syn" 3). Consequent was dit wel niet, maar men schijnt er door de omstandigheden toe gedwongen geweest te zijn.

Bij de nationale synode van Middelburg in 1581 was een voorstel ingekomen, „oft nyet noodich en ware tgebruyck van de getuygen by den doop aff te stellen". Daaruit blijkt, dat het verzet nog niet geheel gebroken was. De synode ging er echter niet op in, maar oordeelde dat dit „ghebruijck niet lichtvaerdelick te veranderen" zou zijn, doch vond het tevens betamelijk, „dat men neme die der suijvere leere toeghedaen ende vroom van wandel zijn" 4). Hiermede was de Haagsche synode van 1586 het eens, die het bovendien noodig achtte, „dat den Kercken int gemein belastet werde bei die bedieninge des Doops die Ouders mitzgaders den getugen teuorderen" 6)-

Dat men geen ketters, zooals bijv. de David-Joristen, tot getuigen toegelaten wilde zien, spreekt wel van zelve °). In den tijd der Remonstrantsche twisten werd de vraag gedaan, „hoe te handelen met sulcke Remonstrantsgesinde, die, staende over den doop van een kint, op de vragen, haer int formulier des doops voorgehouden, stilswijgen

*) omtrent hunne verplichting tegenover.

*) dulden.

3) Rutgers, Acta, blz. 249, 270.

4) Rutgers, Acta. blz. 428, 391.

5) Rutgers, Acta, blz. 546.

6) Reitsma en van Veen, Acta. II, 30; III, 217.

151

Sluiten