Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in te nemen. Zeer vele, zoo niet de meeste ouders, dachten bij het kiezen van getuigen daaraan niet of althans niet in de eerste plaats. Zij namen familieleden of vrienden, vooral zulken, die vermogend genoeg waren om een geschenk, liefst zoo groot mogelijk, bij den doop te geven in den vorm van pillegift J). Of zij zochten den doop luister bij te zetten door aanzienlijke personen uit te noodigen als doopgetuigen op te treden, die zich dan weer dikwijls door plaatsvervangers lieten vertegenwoordigen. Zoo werden bijv. den 1 9 Sept. 1 629 drie kinderen te 's-Hertogenbosch gedoopt. In het doopboek aldaar staat daaromtrent het volgende opgeteekend : „ A m e 1 i a. De Ouders Hans Albert Best, soldaat onder den Grave van Hanauw en Elizabeth Bestens. Getuige Mevrouwe De Princisse van Orangien. Johannes. De Ouders .. . . 2). Getuige Mijn Heere Den Prince van Orangien. Sara. De Ouders Anthoine Tourné, soldaat onder de compagnie van Heer Colonel Grenu Sal. en Peronne Jacquart Getuigen Willem van Kinhoven, Gillis van Wesel, Janomijnken Goosens, en Sara Bartholomeus".

1) De pillegift werd oorspronkelijk gegeven door de peters en de meters. Ook de geschenken, door de genoodigden ter doopmaaltijd gegeven aan het kind of ter eere van het kind, heetten zoo. Zij waren zeer verschillend en naar den stand der gevers meer of minder aanzienlijk. Nu eens was het een stuk geld of, ten platte lande vooral, een bijdrage tot het doopmaal. Dan weer het doopkleed of de doopsprei, soms ook de geheele luiermand. Ook gaf men een dooppenning of een stuk zilver, vaak een zilveren rinkelbel of een zilveren lepel met bewerkte steel. Bijzonder rijke pillegiften ontving Prins Willem II (geb. 27 Mei 1626), n.1. van de Staten Generaal een pensioenbrief van f 8000.— jaarlijks, liggende in een gouden doos van f 1259.—; van de Staten van Holland een jaarlijksch pensioen van f 5000.—, van de stad Delft f 600.—. (H. J. Olthuis, t. a. p. blz. 227—235). Het verband tusschen pillegiften, doopmalen en doopgetuigen blijkt uit de klacht van den Kamper predikant Simon Oomius: „sommige hebben beginnen te roepen (alleene om de voorseyde pillegiften) vijf, sesse, achte, thien of meer Getuygen; soo is dit misbruyck ten lesten daer uyt gevolght, dat men om de Peters ende Meters te vereeren, een groodt Brasmael heeft gaen houden, daer gemeenelijck de voor-seyde giften of de waerde van dien, in groote overdaet ende gulsigheyt verquist worden. Alle dese ende diergelijcke abuysen ontrent de Ordinantie van de Peters ende Meters, sijn soo grof dat'se geen wederlegginge van noode en hebben, ende wy verfoeyen die met alle vrome Christenen van gantscher herten". (De pracktyke der twee heylige Sacramenten.

Gron. 1683. blz. 79).

2) De namen zijn niet ingevuld.

154

Sluiten