Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

borg bleven . Maar hij laat er toch op volgen: „Als ik dit stuk, met bedaardheid, overweeg, so moet ik, voor my, rondelijk verklaren, dat ik, daar in, niet gerust ben. Wat dan? K. sou, behoudens een beter, van oordeel zijn, en liever raden, dat de Doop van dusdanige kinderen wierd uitgesteld; ter tijd en wijle, datse de Leer der Waarheid selv beleden, den Bond-eisch bewilligden, en, met haar leven, werklijk betoonden, datse, in 't Verbond Gods, waren overgegaan. Niemand wane, dat, in dit uitstel, enig gevaar gelegen is; of, dat de Ongedoopte, daardoor, ee nigs in s benadeeld werd". Immers hij was overtuigd, „dat 't ni et-dop en, aan een kind, genig kwaad toebrengd. Ook veroordeeld men sodanige kinderen g e e n s i n s ; maar men laatse over aan t oordeel Gods. T is waar, men weigerd hun den Doop wel; maar 't is, op geen andere grond, als om dat men bedugt en bekommerd is, Gods Verbond, en desselvs goederen, daar te versegelen, waar men geen de minste schyn vind, dat 't Genade Verbond omhelst, en desselvs beding bewilligd is" 2).

Ook de kinderen van Mennonieten doopte men in de Gereformeerde kerk, hoewel de ouders natuurlijk aan zulk een doop niet de minste beteekenis hechtten. Zoo besloot de Geldersche synode van 1606, „dat de onmondige kinderen der Wederdooperen, wanneer die by afsterven der ouderen van de vrienden tot den christelicken doop gepresenteert werden, sullen aengenomen ende den seegels des verbondts deelachtich ghemaect worden". Ja de Groninger synode van 1612 keurde het zelfs goed, dat de „olderen, Wedderdöpers sinde, daer van rechtswegen werden tho constringert höre kinderen te lathen dopen" en vond het „behoerlick", dat een predikant deze kinderen

') Geril. Meyer, t. a. p. blz. 243, 245.

162

Sluiten