Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te wesen van in Holland, in dese heerlijkheid, in 't dorp, kerk en bij ons te komen, tegen het Plakaat /an de staten van Holland van den 26 Jan. 1695, het welk tot straffe steld, die de eerste reis werd gekregen openbaar gegeeseld te sullen werden, de tweede maal gegeeseld en gebrandmerkt, de derde maal met de dood gestraft werden; hierop den eersten, die men van dit alles ondervraagde, met buitenstaan van de anderen, soo bespottelijk, onwetend, dom en slordig antwoordde, dat wij de andere inroepende, haar belastten ten eersten weg te pakken, en een ander leven te leiden, haar ergens vast neder te setten, te arbeiden en te werken, na den last van Paulus, 2 Tess. 3 : 10. 1 Tim. 5:8, eens te belooven Kristenen te wesen, en dat men dan de kinderen souw dopen enz. Hetwelk daarna door den predikant eens kragtig op de preekstoel is vertoond, verscheide staats- en kerkkelijke personen het voorval verhaald, ook eens een tijd daarna een geselschap van verscheidene naburige predikanten, die den Predikant quamen besoecken, de welcken samen deze weigering en behandeling der sake goedkeurden, en in hare Kerkken voorkomende, ook so souden doen, het welk daarom tot narigting van de nakomelingen ook hier so te boek gesteld is".

Was men blijkens deze mededeeling te Katwijk a'd. Rijn nog al consciëntieus, op vele andere plaatsen ging men al verder en verder. Het formulier eischte, dat de doop alleen bediend werd aan de kleine kinderen der geloovigen; allerlei synodale bepalingen vergunden den doop eigenlijk aan alle kinderen, mits er maar Gereformeerde getuigen waren; vele predikanten en kerkeraden bekommerden zich om deze beperking zelfs niet. Zoo doopte men te Monnikendam in 't begin der achttiende eeuw alles wat zich aanbood, ook zonder getuigen. Daartegenover stonden echter predikanten, die alleen kinderen van Gereformeerde ouders wilden doopen, en zelfs enkelen, die meenden, dat de doop alleen toekwam aan het kroost van bekeerde ouders.

Al spoedig had men ingezien, dat men bij de bediening van den doop eenerlei vorm en gewoonte moest volgen. Men kon het niet aan eiken predikant overlaten om te handelen, zooals hij zelf dat wenschelijk zou achten. Daardoor konden allerlei misbruiken ontstaan, verkeerde gevoelens over den doop worden geleerd. Bijgeloovigheid zou op die wijze in de hand gewerkt, onverschilligheid bevorderd, onkunde vermeerderd worden. Alle ongeregeld165

Sluiten