Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

holland en overal handelde men omstreeks 1 597 te Gouda onder den invloed van den predikant Hermannus Herberts aldaar, door den doop „na tgheven van den seghen", d.i. dus na het sluiten der godsdienstoefening, te bedienen ')• Er werd dus in den regel des Zondags in de godsdienstoefening gedoopt. Eerst schijnt het de gewoonte geweest te zijn, daarvoor den morgendienst te gebruiken. Maar een bezwaar daartegen waren de doopmalen, die daarna gehouden werden2). Ten minste de Zuidhollandsche synode van 1619 klaagde, dat na den doop des voormiddags, waarop dan het doopmaal volgde, „de namiddachsche predicatien seer verhindert worden", zoodat er gevraagd werd, „off het niet goet en ware door ordre daerin te voorsien ende dese dingen 8) tot de namiddachsche predicatie wt te stellen". Er werd nu „goetgevonden, dat

L) Reitsma en van Veen, Acta. III, 85.

2) Dat men zich met familie en vrienden na den doop dankbaar aan een maaltijd vereenigde, is zeer begrijpelijk. Niemand kan daar iets tegen hebben. Maar men overdreef hier dikwijls en er hadden vaak zulke „excessive rnaeltijden" (R. en v. V. A c t a. II, 399) plaats, dat er van wege de kerkelijke vergaderingen tegen gewaarschuwd moest worden. De ernst van de doopplechtigheid werd soms geheel en al verdrongen door de vroolijkheid en uitgelatenheid aan den feestelijken disch. Men lei er zich op toe, doopmalen „met veel persoonen ende groote oncosten te houden, dickwils veel dagen lanck" (R. en v. V. Acta. II, 426). Menige maaltijd eindigde in brasserij en dronkenschap. De „kindelbieren" ten platten lande kregen vaak een treurige ruchtbaarheid. Een en ander was oorzaak, dat zelfs stedelijke keuren gemaakt werden tegen het noodigen van te veel gasten. Te Zwolle mocht men niet meer dan 24, te Zutphen „acht paer volks" en te Groningen niet meer dan „12 butenhusen ten eten bidden". Een kijkje op zulk een maaltijd krijgen wij uit een brief d.d. 7 Maart 1604, waarin de Secretaris van het landschap Drenthe, Hubertus Weynichman, Drost en Gedeputeerden verzocht als „Gevadders" te staan over zijn zoon, die den 18 Maart gedoopt zou worden. „Neffens dien — zoo eindigde hij — hebbe ick U: Gestr: ende E: neffens U: Gestr: ende E: respective Huisvrouwen, Kinderen ende Familien seer vlitelich ende dienstlich willen versoecken, dat deselue, nae gedaene Doepe, willen belieuen sich t' vercleenen, ende de portie na Drentsche maniere te neemen, ende met andere goet geselschap een aem Wijns helpen vuithdrincken, ende Volgendes maendaeges met en aubiten ende tgene daer an cleeft, de Kinderdoepe sluiten, behaluen wat den volgenden dinxdach de Spinde ende Tonne vermoegen sullen". Deze Weynichman vroeg niet weinig menschen tot het doopmaal van zijn kind en gaf niet weinig te eten en te drinken. (Vgl. H. J. Olthuis, t. a. p. blz. 220—226).

doop en huwelijk.

175

Sluiten