Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willen wij weten, of God gedachten des vredes over ons heeft, dan hebben wij ons met onze harten op deze daadzaak te verlaten, dat God Zijnen Zoon waarachtig gezonden heeft, toen de tijd vervuld was. Daarin hebben wij het bewijs er voor te zoeken, en niet in onszelven, niet in onze gerechtigheden. Als God geene gedachten des vredes over ons gehad had, dan zou Hij Zijnen Zoon niet gezonden hebben. Maar nu verheerlijkt God Zijne liefde jegens ons, dat Hij Zijnen Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderft, maar het eeuwige leven heeft.

Willen wij weten, of God Zijne belofte, aan ons gegeven, ook zekerlijk zal houden, dan hebben wij ons opnieuw met onze harten op deze daadzaak te verlaten, dat Hij Zijnen Zoon gezonden heeft. Want Hij heeft Zijnen Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordeelen zoude, maar opdat zij door Hem zou behouden worden. Wanneer nu God gezegd heeft: „Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen", dan mag al het volk des Heeren zich in dezen van God gezonden' Heiland „welgelukzalig" noemen, en juichend uitroepen: „Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is". Het moge lang duren, dat God Zijne goedertierenheid bij eene naar Hem verlangend uitziende ziel, opnieuw openbare, — er moge veel vrees en angst en twijfel in het hart huizen, — de stem des duivels moge iemand al inblazen: „Gij zult nog één der dagen door de hand van Saul omkomen", — er moge bij de ziel veel opzien zijn tegen het laatste uurtje, tegen den tijd dat de dood werkelijk zal komen, — er moge genoeg kruis, tegenspoed, nood, aanvechting aanwezig zijn, genoeg van die gedurige innerlijke plagen, zoodat men zucht: „Wanneer, o God, zult Gij mij verkwikken met Uwe vertroostingen, met de hulp Uws Aangezichts?"— het wachten op God, op den levenden God,

Sluiten