Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wereld zegt wel: „Wij zijn zondaren", maar in werkelijkheid wil zij er niets van weten; zij wil zich volstrekt niet als zondaren laten bestraffen, maar al wat zij stelt, wil en drijft, moet als recht en goed aangemerkt worden. Zoo kan de wereld met eene helpende genade uitkomen, het overige brengt zij zelve in orde.

Volgens zulk eenen loop der wereld had de Apostel ook vroeger gewandeld, toen hij de wet en hare werken gedreven had; maar midden in zijnen loop was het hem door den Heere Zelf geopenbaard geworden, welk een groot zondaar hij was, terwijl hij in de meening verkeerde, een groot heilige te zijn. Later was hem zijne verdorvenheid door allerlei wegen nog meer ontdekt geworden, en hij had ondervonden, aan welke gevaren de zaligheid onzer zielen gedurig blootgesteld is, bijaldien wij meenen, onze zaligheid zelf te kunnen uitwerken door de wet er bij te nemen; hij had echter ondervonden, hoe daaruit niets dan zonde en wederom zonde voortkomt; ondervonden, hoe de mensch, voor en na, zijner ziele zaligheid in den weg staat, door zijne begrippen van Wet en derzelver werken; ondervonden, hoe de mensch geheel en al zondaar, niet dan zondaar is, en dat het bij den mensch eene volstrekt onmogelijke zaak is, ook maar het geringste tot zijne zaligheid toe te brengen. Daarom schrijft hij: Christus Jesus is in de wereld gekomen, om zondaren gered, zalig gemaakt te hebben. —

Wanneer hij hier schrijft „zondaren", dan wil hij daarmede te kennen geven, dat wij voor en na zondaren zijn en zondaren blijven, dat wil zeggen, zulke ellendige menschen, die van den rechten weg en het richtsnoer van den wil Gods en van Zijne wegen door ons onverstand gedurig af zijn, en die elk oogenblik onszelven in het verderf zouden storten, omdat wij, aan onszelven overgelaten zijnde,

Sluiten