Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoewel de Heere hem zijnezonden vergeven had, hoewel hij alle rust en allen vrede had in den Heiligen Geest, en het telken male met blijdschap prediken en schrijven kon: „Wie zal verdoemen?" — zich zeiven kon hij het nimmer vergeven, dat hij de Gemeente Gods vervolgd had. Niet, dat hij zich deze zonde voorhield, dat hij er zich over aftobde; niet, dat hij deze zonde wilde ongedaan maken, — maar hij bleef haar in dien zin gedachtig, dat het bij hem bleef vaststaan: „Ik ben de alleronwaardigste, ik ben de voornaamste der zondaren; zoo grof als ik gezondigd heb, heeft niemand gezondigd". —

Heerlijk was hem de Wet Gods, heerlijk Gods heiligheid, heerlijk de genade van Jesus Christus, — maar bij hem was het uit en voorbij, eens voor altijd eene afgesnedene zaak; — hij weet eens voor altijd met de Wet niets meer uit te richten en ziet zich voor alle anderen tot een voorbeeld gesteld, dat een mensch een zondaar is, dat hij verlost, zalig gemaakt wordt, dat deze verlossing en zaligheid alleen daarin bestaat, dat Christus Jesus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, en dat degene, die bij dat woord blijft, die in Christus Jesus gelooft zonder werk, zich door Christus Jesus zal zien verlost en zalig gemaakt ten eeuwigen leven.

Zoo is dan de Apostel aan de reiniging zijner vorige zonden gedachtig gebleven. Daarom was hem door de genade Gods ook al datgene rijkelijk geschonken, wat wij in den Tweeden Brief van Petrus (Hoofdst. 1:5—7) lezen: „En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid, en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen". Want waar een eerste, een voor-

Sluiten