Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boven art. 28 lezen we al aanstonds dit opschrift: „Dat een iegelijk schuldig is zich bij de ware Kerk te voegen." En dit merkwaardige artikel vangt dan aldus aan: „Wij gelooven, aangezien deze heilige vergadering is eene verzameling dergenen, die zalig worden, en dat buiten dezelve geene zaligheid is [hier wordt natuurlijk gedoeld op hare inwendige gestalte], dat niemend [hier is onmiskenbaar sprake van de uitwendige gestalte], van wat staat of qualiteit hij zij, zich behoort op zichzelven te houden, om op zijn eigen persoon te staan, maar dat zij allen schuldig zijn zich daarbij te voegen en zich daarmede te vereenigen, onderhoudende de eenigheid der Kerk." En op het einde van dit art. wordt uitdrukkelijk gezegd: „Daarom al degenen, die zich van dezelve afscheiden of zich niet daarbij voegen, die doen tegen de ordinantie Gods."

Evenzoo wordt in art. 27 en in den Catechismus (Zond. 21) gesproken van de ééne Kerk, welke Christus zich „van het begin der wereld tot aan het einde vergadert door Zijn Geest en Woord". Let wel, hoe er in art. 27 weer nadruk op gelegd wordt, dat deze ééne Kerk er geweest is van den beginne der wereld en er zal zijn tot den einde toe. Juist dus, zooals we straks zagen in Rom. 11, het is één heilige stam. Op de continuïteit der Kerk wordt voortdurend gewezen.

Maar daarom dan ook, omdat zij dien éénen heiligen stam ook onder alle droeve toestanden door in het oog hielden, waren de hervormers en onze vaderen zulke besliste tegenstanders van de afscheiding.

Het lijdt bij mij dan ook geen twijfel, dat de hervormers zelfs in de Roomsche Kerk gebleven zouden zijn, indien men hun vergund had zich van de mis (die in hunne oogen immers afgoderij was) te onthouden en het Woord Gods binnen die Kerk naar de Schriften te verkondigen. Om de gebreken der Kerk alleen (noch in tucht, noch in kerkregeering) zouden zij de Roomsche Kerk nooit verlaten hebben. Maar natuurlijk was er in de Roomsche Kerk geen leervrij-

Sluiten