Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijf-iETEQuis ykwoaaig; respect: 2S, 24, 2n. Het is daarom van belang dit caput te bespreken.

Bij lezing van het Pinksterverhaal rijzen er twee vragen: i°. Wat wil de schrijver ons verhalen?

2°. Welke gebeurtenis ligt ten grondslag aan zijn verhaal: Over de beantwoording van de eerste vraag is nog al verschil van meening, terwijl de tweede vraag in dezen zin beantwoord wordt, dat de gebeurtenis die aan het verhaal van den schrijver ten grondslag ligt, is het verschijnsel, dat ons in i Cor. 12 en 14 wordt beschreven, en dat wij glossolalie noemen.

De eerste vraag wordt verschillend beantwoord.

Holtzmann l) meent, dat de schrijver heeft willen verhalen, dat de Apostelen gesproken hebben in vreemde, hun onbekende talen. Hij zegt:

»Die Zungengestalt (yAo)OOai wou tzi qoq 2S) steht in Beziehung auf die alsbald sich offenbarende Gnadengabe des «Redens mit anderen Zungen«. Da aber die Zunge Sprachorgan ist, so fangen die betreffenden Personen an zu reden mit Zungen, und zwar mit anderen, d. h. nach 6, 8, 11 in fremden Sprachen. Wie hier, so ist wohl auch Mc ió17 »neue Zungenc im Gegensatz zur Muttersprache zu verstehen«.

Deze meening is ook Mosiman 2) toegedaan. Hij zegt: »Uit het verband volgt, dat »het spreken in talen« (2n) en shet spreken in andere talen« (24), beteekent spreken in vreemde talen of dialecten. Men zou dicclexzc) van (20.s) in de plaats van yhiiaaaig 2U kunnen zetten zonder dat de beteekenis van den zin zou veranderen«.

Ook Lombard 3) meent, dat de schrijver een spreken in vreemde, den apostelen onbekende talen bedoeld heeft.

') Holtzmann, Hancl-Com. z. N. T. Apostelgesch. 1901, pag. 31.

2) Mosiman, Das Zungenreden, pag. 15.

3) Lombard, De la Glossolalie 1910, pag. 71.

Sluiten