Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal met GASPARI de meening moeten aanvaarden, dat er genoegzame gronden aanwezig zijn om te besluiten, dat er met betrekking tot den Urmensch van een eigenlijk gemoedsleven geen sprake kan zijn. Wil men dat, zoo zegt hij, dan moet men ook wagen te spreken van een gemoedsleven der roofdieren en apen. Hij meent dan ook, dat een scherpzinnig waarnemer bij de hoogst ontwikkelde dieren een reeks van handelingen kan waarnemen, waarin de sporen van gemoedsaandoeningen niet te ontkennen zijn. Een philosooph als VON HARTMANN dacht er niét anders over. Hij vooral heeft met groot talent de geboorte van het religieuse uit het nietreligieuse bepleit". (Religie en Gemeenschap bij de Natuurvolken, blz. 147 en 148. Religion und Soziales Leben bei den Naturvölkern, I, S. 166)..

Op een geheel ander standpunt stellen zich de moderne Fransche Sociologen. Wij hoorden hen bij monde van ÖURKHEIM reeds de stelling bepleiten, dat de gemeenschap de eenige macht is boven den mensch. Aan hetgeen die gemeenschap vaststelde, moet de enkeling zich onderwerpen. Eigenlijk dragen daarom alle ceremoniën bij de natuurvolken een religieus karakter. En waar er nu geen natuurvolken zonder ceremoniën zijn, daarom zijn ook alle volken religieus.

Edoch ook die geleerden, die deze beschouwing niet deelen, stemmen niettemin gaarne toe, dat de religie een sociaal karakter draagt.

Nauwkeurige onderzoekingen komen steeds meer deze meening bevestigen.

„Die religiöse und die sociale Gemeinschaft fielen von Anfang an zusammen; nicht weiter, als die letztere, konnte auch die erstere sein, daher der engbegrenzte Umfang einer Kultgenossenschaft und des Herrschaftsbereiches ihres Gottes. Aber wie engbegrenzt auch, so war es doch immer irgend welche Gemeinschaft, in der ein religiöser Glaube gepflegt und kultisch betatigt wurde. Die Meinung, dasz die Religion als individuelle Angelegenheit und mit der Verehrung von göttlichen Wesen, die nur Einzelnen angehörten, begonnen habe, ist ein gründliches Irrtum. Ueberall in der menschlichen Geschichte war die natürkche, auf Blutsverwandtschaft beruhende Gemeinschaft das erste; die Individuen gingen in diesem solidarischen Ganzen noch unterschiedslos auf und

Sluiten