Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om zich in zijn bestaan te handhaven, het besef, dat hij tegenover die wereld recht had van bestaan, in verzet. En daarom zocht hij hulp bij eene macht, waaraan ook het rijk der natuur moet gehoorzamen. Dit zoeken was niet vergeefsch. Hij vond die macht in die krachten der natuur, die hem zijn voedsel en deksel bezorgden en hem redding brachten in gevaren. Daarop ging hij deze krachten verpersoonlijken en aanbidden, of m. a. vv. tot den rang van goden opheffen.

In eenvoudiger vorm is deze theorie door den bekenden materialistischen philosoof Feuerbach, waarop de SociaalDemocraten zich zoo gaarne beroepen, voorgedragen. Kortelijk is zijne opinie aldus samengevat: „De fundamenteele onderstelling van het geloof aan een god, is de wensch om zelf god te zijn. De mensch ervaart echter spoedig tot zijne droefheid, dat hij geen god is, en zoo wordt dat wat hij wenscht tot een slechts voorgesteld, geloofd, ideaal wezen. Beperkt in vermogen maar onbeperkt in wenschen, is alzoo de mensch niet-god in 't kunnen, niet mensch in 't wenschen. God is dus de andere helft, die den mensch ontbreekt, volkomen wat de mensch gebrekkig, werkelijk wat de mensch slechts in zijn wenschen is. Dit is dan de subjectieve zijde, het objectieve leveren de natuurverschijnselen, het ervarene, het werkelijke in de hem omringende wereld, waarmee hij zijne ideale personen verbindt".

Toch kunnen niet alle moderne religionsphilosofen zich met deze voorstelling (die behalve door feuerbach ook door Lipsius, Zeller, Hoekstra, Eduard von Hartmann en aanvankelijk ook door Pfleiderer en tlele verdedigd is) vereenigen.

Zoo gaan hugenholtz in zijne „Studiën op godsdiensten zedekundig gebied" en rauwenhoff in zijne „Wijsbegeerte van den Godsdienst" uit van de stelling, dat „het ontstaan van den godsdienst moet verklaard worden uit het samenvallen van het zedelijke bewustzijn in den mensch met de naturistische of animistische natuurbeschouwing". Zij redeneeren hierbij aldus. Van alle menschelijke aandoeningen komt dat gevoel, waaraan wij den naam van ontzag geven, het meest in aanmerking om als uitgangspunt voor het ontstaan der religie aangemerkt te worden. Niemand is zoo weinig ontwikkeld, of dit gevoel bezit hij. Natuurlijk is dit gevoel het eerst in zijn hart opgeweld in het verkeer met

Sluiten