Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de schoone bladzijde, die wij uit tlele's boek citeerden, zegt hij, dat de waarneming van het oneindige den mensch geleid heeft tot de vereering van den Oneindige. Maar bewijzen doet hij dit niet. Hij toont volstrekt niet met afdoende gronden aan, dat met innerlijke noodzakelijkheid de idee der oneindigheid tot het geloof in den Oneindige brengen moet. Hij maakt eenvoudig een sprong van het absolute tot den Absolute. In de tweede plaats geldt tegen Tiele, dat hij in den grond der zaak uitkomt, waar hij niet wezen wil. Het geloof in God wordt geboren uit de omstandigheid, dat hier de aspiratiën des menschen niet verwezenlijkt worden en er dientengevolge eene hoogere wereld zijn moet, waar al de gebreken en beperkingen en jammeren des aardschen levens gelukkig ontbreken. Maar wat is op dit standpunt feitelijk de religie anders dan de projectie van het noodgevoel, dan de neerslag van het egoïstisch wenschen des menschen? Dr. Visscher drukte zich in zijne inaugureele oratie „De Oorsprong der Religie" dan ook niet te sterk uit, toen hij zeide: „De Godsidee blijft ook hier onverklaard".

Niet anders is het met de meening van Rauwenhoff. Hij stelde, dat eene stem in ons binnenste (het geweten of het onvoorwaardelijk plichtsbesef) getuigt van eene macht boven ons, die in ons werkt en over ons gebiedt. Nu zijn op modern standpunt echter zoowel het geweten als het onvoorwaardelijk plichtsbesef al zeer weinig vaststaande begrippen. En daarom is het niet voorzichtig, uit zoo nevelachtige begrippen conclusies te trekken omtrent het ontstaan der religie. Ten andere is terecht door Tiele deze bedenking ingebracht. „Hoe dit zij, de groote fout van de laatst beschreven theorie is alweder, dat zij de godsdienst uit redeneering laat voortkomen, en alle redeneering, alle reflectie komt altijd achteraan. In het geweten meende men de stem van een hooger wezen aan te nemen, iets verwant aan het daemonische, waarin sokrates geloofde — het is volkomen waar, maar de vraag is alweder: hoe kwam men daartoe? De godsdienstige mensch redeneert zoo — het is juist — maar hij redeneerde zoo, omdat hij reeds een godsdienstig mensch was. Wat hem daartoe gemaakt heeft, ziedaar de vraag!"

En nu ten slotte de stelling, dat het noodgevoel de religie als projectie van het egoïsme deed geboren worden — een thema, waarop wel vele variaties bestaan, maar hetwelk toch

Sluiten